Weeskinderen bij het derde gesticht Veenhuizen

Extract uit het Register van het Verhandelde in de Raad van Tucht op den 9e Julij 1836

De Raad wordt door den President geöpend.

De Leeden zijn allen tegenwoordig.

De desertie van de Weezen Maria Zandman, Johanna Hartog en Albert Hendriks de Boer worden voorgenomen.-
Beide eerstgenoemden zijn door een politie dienaar teruggebragt, laatstgenoemde wiens verblijfplaats men kende, is van daar terug gehaald.

Men gaat tot het verhoor over, de schuldigen komen binnen.-

De President vraagt beide eerstgenoemden naar de reden hunner desertie.-
M. Zandman zegt, dat zij door overplaatzing naar eene andere zaal, ten gevolge de komst van den Zaalopziener Moesman uit haar post van Kamerwagt is geraakt, en daar over zoo ontevreden was geworden, dat zij het besluit had genomen van te deserteren.-
J. Hartog verklaart geene redenen te hebben, die haar tot de ontvlugting hebben aangespoord, maar zegt daar toe door Zandman verleid te zijn.

De president brengt hu  onder het oog, hoe verkeerdelijk zijl. gehandeld hebben, en verzekert hun dat zij overeenkomstig het Reglement zullen gestraft worden.-

De Wees A. H. de Boer terug gehaald uit Bergum in Vriesland, wordt binnen geroepen.

De president zegt hem dat het meer dan tijd is geworden, dat hij naar de Ommerschans worde overgeplaatst, en dat als nu het voorstel daar toe zal gedaan worden, aangezien toch alle vroegere straffen geene de minste verbetering in hem hebben te weeg gebragt.

Hij treed weder om af.-

Gezien art 4 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
Verwijdering uit de koloniën zonder verlof”
“ hetzij die volvoerd en men van desertie terug gebragt is, hetzij die verhinderd is geworden.
Opsluiting van een tot acht dagen in de strafkamer, om den anderen dag te water en brood en bij herhaling met boeijen aan.”

Gezien Art 9 van hetzelfde Reglement zijnde van den volgenden inhoud.-

Bij aldien het blijken mogt, dat geen der voorgeschrevene strafbepalingen voldoende was, om een of ander bij uitstek ondeugend voorwerp van zijne verkeerdheid terug te brengen, zal de Raad van Tucht besluiten tot een voorstel aan de Permanente Kommissie om zoodanig onverbeterlijk persoon uit het Gesticht te verwijderen en in de Ommerschans overteplaatsen, welk voorstel zal moeten geschieden met aanhaling der Notulen, volgens welke hij vroeger zonder vrucht is gestraft geworden.”

Gelet op het vonnis van de Raad van Tucht van den 13 Augustus 1835 als wanneer A. H. de Boer ook reeds door een politie bediende is teruggebragt.

Wordt het gevoelen van ieder Lid in het bijzonder gehoordt.-

Allen stemmen tot de straf zoo als die in art 4 vermeld wordt, namentlijk voor de beide eerstgenoemden, doch vermenen omtrend A. H. de Boer een voorstel aan de Permanente Kommissie te moeten doen tot overplaatsing naar de Ommerschans aangezien deze jongen onafhankelijk wegloopt en niet dan in de uiterste armoede terugkeert of terug gebragt wordt.-

De president vereenigt zich met dit gevoelen en alzoo wordt bepaald

De Weezen Zandman en Hartog op te sluiten in de strafkamer gedurende 8 dagen om den anderen dag te water en brood, en den Wees A. H. de Boer onder approbatie van de Permanente Kommissie te verwijzen naar de Ommerschans.-

De Weezen komen wederom binnen en wordt hun vonnis kenbaar gemaakt, waar na zijl. wederom aftreden.-

De werkzaamheden afgelopen zijnde, zoo wordt de raad gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

De President en Leden

(was get), S. B. Drijber pr, C. W. Rensing, L. Nijenbandring, J. Emmelot, C. Brecheizen
Voor extract conform, De Secretaris
Haarman

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622


Notities bij het zittingsverslag