Weeskinderen bij het derde gesticht Veenhuizen

Extract uit de Notulen van het Verhandelde in de Raad van Tucht op den 6e September 1836

Kolonie Veenhuizen 3e Etablissement

De Raad geconvoceert zijnde, wordt door den Voorzitter geöpent.-

De Leden zijn allen tegenwoordig.

Wordt voorgenomen eene ingekomene Klagte van den Adjunct Directeur van het 2e Gesticht tegen de weezen R. Fekkes, J. Meijer, J. Koorn, A. Wognum, J. Strootman, H. Snijders en P. Troost, die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het ontvreemden van wortelen uit den kolonialen tuin van dat Gesticht.

De President beveelt dat opgenoemde weezen binnen komen.

Men ondervraagt ieder in het bijzonder en bij den afloop daarvan blijkt het, dat den eenen het op den anderen wil wijten, doch dat zijl. allen werkelijk aan het misdrijf schuldig zijn, waarna zij wederom aftreden.-

Men gaat tot de strafbepaling over:

Gelet op art 4 onderdeel 8 van het Reglement luidende als volgt:
“Ontvreemding, verwaarlozing en beschadiging van eens anders goed”
“Dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde of beschadigde uit zijn tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting van één tot acht dagen in de strafkamer; om den anderen dag te water en brood, en bij herhaling met de boeijen aan.”

Als mede art 9 zijnde van den volgenden inhoud:
“Bij aldien het blijken mogt, dat geen der voorgeschrevene strafbepalingen voldoende was, om een of ander bij uitstek ondeugend voorwerp van zijne verkeerdheid terug te brengen, zal de Raad van Tucht besluiten tot een voorstel aan de Permanente Kommissie om zodanig onverbeterlijk persoon uit het Gesticht te verwijderen en in de Ommerschans overteplaatsen, welk voorstel zal moeten geschieden met aanhaling der Notulen, volgens welke hij vroeger zonder vrucht is gestraft geworden”

De President vraagt het gevoelen van ieder lid in het bijzonder.

Allen vermenen dat de volle straf volgens opgenoemde artikelen moet opgelegt worden.

De Voorzitter vereenigt zich hier mede.

De Weezen J. Meijer, J. Koorn, P. Troost, R. Fekkes, A. Wognum, J. Strootman & H. Snijders te condemneren tot opsluiting in de strafkamer gedurende acht dagen om den anderen dag te water en brood, zullende R. Fekkes en P. Troost als bij herhaling bovendien met de boeijen gestraft worden.

Voorts verwijst de Raad onder approbatie van de Permanente Kommissie de Weezen Fekkes en Troost volgens art 9 opgenoemd naar de Strafkolonie te Ommerschans daar het blijkt dat zijl. zonder vrucht op den 1e Juni 1835, 23 Januarij en 25 Meij 1836 gestraft zijn.

De beschuldigden komen wederom binnen.-

De President verwittigd hun van het vonnis, vermaant hun tot beterschap en beveelt dat zij wederom zullen buiten gaan.

Geene der Leden iets meerder hebbende in te brengen zoo wordt de vergadering gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

De President en Leeden

(was get) S. B. Drijber pr, C. W. Rensing, L. Nijenbandring, J. Emmelot, D. van den Tempel
Voor Extract conform, De Secretaris
Haarman

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622


Notities bij het zittingsverslag