Weeskinderen bij het derde gesticht Vaanhuizen

Raad van Tucht gehouden den 10e Meij 1838


De Raad is te zaam gekomen, de Leden zijn allen tegenwoordig en de President opent de Vergadering.

De Wees J. Blom, N. 285 op den 12 November 1837 gedeserteerd, afgevoerd op 12 februarij jl en op de 7 dezer volgens aanschrijving van den Heer Directeur der Kolonien dd 19 April JL N. 906 weder opgenomen, wordt voor de Raad geroepen.

Men doet denzelven binnen komen.

De President vraagt hem naar de reden van zijne desertie.
Hij geeft ten antwoord dat het eten dat hij ontvangt niet genoegzaam voor hem is, en dat hij in allen opzichte een tegenzin in de Kolonie heeft.-

De President even als alle de Leden zijn overtuigt dat hij een allerslegt sujet is, die op den 1e September 1837 en nu weder ten tweede male voor den Raad is verscheenen, en meermalen door den Raad van het 1e Gesticht is teregt gestelt geworden, brengt hem zijne verregaande en herhaalde misstappen onder het oog en beveelt dat hij aftrede.

Gezien art 4 sub 2 en art 9 daaraanvolgende van het Reglement van Tucht voor Weezen, welke laatste artikel luidende is:

“Bij aldien het blijken mogt, dat geen der voorgeschreven strafbepalingen voldoende was, om een of ander bij uitstek ondeugend voorwerp van zijne verkeerdheid terug te brengen, zal de Raad van Tucht besluiten tot een voorstel aan de Permanente Kommissie om zoodanig onverbeterlijk persoon uit het Gesticht te verwijderen en in de Ommerschans over te plaatsen, welk voorstel zal moeten geschieden met aanhaling der Notulen, volgens welke hij vroeger zonder vrucht is gestraft geworden.”

Met eenparige stemmen wordt de Wees J. Blom onder approbatie van de Permanente Kommissie verwezen naar de Ommerschans.

Wijders wordt de Wees Gaaswijk binnen geroepen die op het oogenblik van de Kleding Inspectie door den Heer Inspecteur der Kolonien onlangs gehouden, zich in de zaal onbehoorlijk gedragen heeft, en dien ten gevolge eene dadelijke strafkamer arrest is opgelegt geworden.-

Deze Wees verzoekt dat het bij zijne ondergane straf van drie dagen opsluiting blijven mag, belooft dat zulks voortaan niet weder zal plaats grijpen.-

De Raad vermeent dan ook hem niet verder te moeten straffen, maar met eene krachtige vermaning voor dit maal vrij te laten.

De Raad wordt gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven
S. B. Drijber, C. W. Rensing, L. NBandring, J. Damen, R. Smies
Voor conform aan het origineel
Haarman, secr.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622


Notities bij het zittingsverslag