Weeskinderen bij het derde gesticht Veenhuizen

Vergadering van de Raad van Tucht op den 22 September 1838.-


De Raad geconvoceert zijnde wordt door den voorzitter geöpent.

Er wordt voorgenomen de navolgende ingekomen klagten tegen de weezen, als

1e tegen H: Boland die bij het uitgaan des morgens naar het land met drie dubbele kleding stukken gekleed wierd bevonden, ten oogmerk hebbende dezelve te gaan verkopen buiten de kolonie.

2e id Ph. Gobel die op de Hauwlerwijk een doek verkocht heeft

3e tegen K. Tets & Ph. Knoop wegens het ontvreemden van wortelen uit de Tuin der Maatschappij van het 2e Etablissement.

De opgenoemde weezen worden gehoord, en bekennen hun misdrijf zonder verontschuldiging, waar na zijl. wederom aftreden.

Gezien art 5 van het Reglement van Tucht voor weezen enz: luidende
“Ontvreemding, verwaarlozing en beschadiging van eens anders goed”
“Dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde of beschadigde uit zijn tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting van één tot acht dagen in de strafkamer; om den anderen dag op water en brood, en bij herhaling met boeijen aan.”

Overwegende dat zijl. geen te goed bij de Maatschappij hebben

Overwegende dat alle drie volgens het laatste gedeelte van boven geciteert artikel zullen moeten verwezen worden.

Gehoort de Leden ieder afzonderlijk

Wordt besloten de drie in deezen voorkomende jongelingen te verwijzen tot opsluiting in de strafkamer gedurende den tijd van 8 dagen om den anderen dag op water en brood.

De schuldigen wordt kennis gegeven van de straf hunl. Opgelegt geworden.

De Raad wordt daarna gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

De President & Leden
S. B. Drijber, C. W. Rensing, L. NBandring, J. Damens, D. van den Tempel

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622


Notities bij het zittingsverslag