Weeskinderen bij het derde gesticht Veenhuizen

Raad van Tucht gehouden op den 24e September 1839


De Raad wordt geöpent

Wordt gelezen eene ingekomene klagte van den Onder Directeur van het 2e gesticht tegen de weezen C. Meijer en G. Heil van dit gesticht, die uit de tuin van het 2e gesticht wortelen ontvreemd hebben.

De beschuldigden worden binnen geroepen en bekennen hun misdrijf, het geen trouwens ook niet te ontkennen was, aangezien zijl. op de daad gevat zijn geworden, zij beloven intusschen dat zulks nimmer meer zal voorvallen.

De beklaagden gaan naar buiten.

Gezien art 4 sub 8 luidende
“Ontvreemding, verwaarlozing en beschadiging van eens anders goed
Dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde of beschadigde uit zijn tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting van één tot acht dagen in de strafkamer; om den anderen dag te water en brood.”

De Raad gehoort

Wordt besloten beide jongelingen voor 8 dagen op te sluiten in de strafkamer om den anderen dag op water en brood.

De beschuldigden komen weer binnen en ontvangen hun vonnis, met welks voltrekking ook dadelijk een begin zal worden gemaakt.

De vergadering wordt gesloten.

De President & Leden
S. B. Drijber, C. W. Rensing, L. NBandring, J. Damens, R. Smies

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622


Notities bij het zittingsverslag