Arbeiders Veenhuizen-1

Proces Verbaal van 't verhandelde in den Raad van Discipline op den 7 Maart 1826


De Raad door den President geconvoceerd zijnde waren alle Leden tegenwoordig.

Door den President is aan den Raad voorgesteld eene aanklagte van den wijkmeester Roelof Oost tegen den arbeider Willem Brauckman welke laatstgenoemde gezegde wijkmeester met woorden & daden in zijne ambtsbetrekking heeft beledigd op den 6e dezer hetwelk hoofdzakelijk hierop neerkomt:

Dat gemelde wijkmeester hem Brauckman heeft aangespoord om zijn werk volgens de bestaande Reglementen ten uitvoer te brengen, waarop gezegde Brauckman aan hem wijkmeester ten antwoord gaf dat indien hij niet van de mestbult afging en hem wijders iets omtrent zijne werkzaamheden gelaste hij alsdan gezegde wijkmeester van de mestbult zoude schoppen.

Waarop de wijkmeester antwoorde zulks wel eens te willen zien.

Waarop meergemelde Brauckman met dadelijkheden is te werk gegaan en gezegde wijkmeester voor de mond geslagen dat er bloeding naar volgde en van de mestbult afgesmeten heeft.

Waarop gezegde wijkmeester hem een slag met de stok heeft gegeven en op de rug nedergelegd hem vragende of hij regt wist wat hij deed, waarop hij Brauckman, antwoordde: Bliksems goed en zijn zoon welke daar bij tegenwoordig was gelaste de kantschop te brengen teneinde gezegde wijkmeester de kop in te slaan,

hebbende gezegde wijkmeester hem daarna losgelaten en meergemelde Brauckman hem met de mestvork agtervolgd, onder bezweerende bedreigingen hem wijkmeester daarmede te doorsteken – zijnde gezegde wijkmeester hem Brauckman ontvlugt, en dadelijk van het voorgevallene aan den WelEdHeer Adjunct Directeur rapport gedaan.

Gehoord de daarbij geweest zijnde geuigen als

De weesen Jan Ongeval en Daniel Soff, welke verklarende op dat ogenblik present te zijn geweest dat de wijkmeester Oost gezegde Brauckman aanspoorde om zijne werkzaamheden aan de mistbult beter ten uitvoer te brengen waarop hij Brauckman meergenoemde wijkmeester een slag voor den mond heeft gegeven, zodat er bloeding aan volgde en wijders met de mestvork op hem aangelopen met bezwerende bedreigingen om hem te doorsteken en wat nog meer zij, zijne zoon welke gezamentlijk met hem aan meergenoemde mestbult arbeide aanzette om gezegde wijkmeester met de kantschop op het hoofd te slaan

Wijders verklaarde de bouwboer De Vries op hoeve no 5 woonachtig, dat hij gezegde Brauckman vaker vriendelijke heeft gewaarschuwd zijne werkzaamheden bij de mestbult beter ten uitvoer te brengen als hij werkelijk deed, waarop hij Brauckman hem antwoordde geen orders van hem te behoeven te onfangen, maar volgens zijn eigen goeddunken zoude te werk gaan.

Van het voorgevallene met de wijkmeester Oost verklaart hij de Vries niets gezien te hebben als allenig dit, dat gezegde wijkmeester aan hem met een bebloede mond het hiervoren vermelde heeft verhaald en dat gezegde Brauckman meergenoemde wijkmeester met de mestvork heeft agtervolgd.

Hetzelver verklaren ook Johannes en Geert de Vries zoonen van eerstgenoemde.

Zijnde dit proces verbaal hiermede gesloten ten einde hetzelve ter fine van nadere beslissing aan den WelEdelGestr Heer Directeur der koloniën te zenden.

Te Veenhuizen den 7 Maart 1826

De President voornoemd
J. Poelman


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1618

Notities bij het zittingsverslag