Derde gesticht Veenhuizen, ARBEIDERS:
Vergadering van den Raad van Tucht op den 17 September 1829


Art 1
De Leeden zijn allen tegenwoordig uitgezonderd den Onder Directeur C. Hulst.

Art 2
De President opent de Raad-

Art 3
De klagte tegen den opzichster in de Waschzaal, den huisvrouw van den Kolonisten arbeider J. C. van Elmpt, wegens het ontvreemden van eenige Koloniale Kleedingstukken van defferente Weezen door de natemelde Weezen ingebragt, wordt door den Raad voorgenomen en onderzocht.-

Art 4
Gehoord ten dezen de Weezen aanklagers met name C. de Meier, C.B. Lenos, M.H. Tulleners, J. van Peer, W. G. Vosse, M. van den Ende, L. Huurleger(?), D. Boldeman(?), N. Geelen(?), N. Pinxter & A. Bouwman(?) wier verklaringen daarop nederkomen dat Vrouw van Elmpt zich zoude schuldig gemaakt hebben aan het zich toe eigenen van Zeep en Kleedingstukken van de Wasch der Weezen.-

Art 5
Gehoord de hiervorengenoemde opzichtster in hare defensie, welke redenen & omstandigheden den Raad niet geheel ongepast & onmogelijk voorkomen.-

Art 6
Gehoord de Zaalopzieners Emmelot en Bloemeijer uit wier zalen de ontvreemding zoude plaats gehad hebben welke betuigen nimmer iets gemist te hebben, maar eens bevonden hadden dat er een ruiling van een hembd had plaats gehad.

Art 7
In aanmerking nemende dat de Weezen aanklagers in dezen vermeld hier van dadelijk hadden moeten rapproteren, daar het als nu reeds zoo lang schijnt verleden te zijn, dat zij van hunne meeste klagten geene juiste tijdsbepaling meer weten op te geven, maar dat de Raad zulks toeschrijft aan de te vorene eensgezindheid met de Waschvrouw, welke nu in eens lijkt verbroken te zijn, daar men verklaard heeft dat zij heden zelfs de waschvrouw terug hebben te huis gebragt.-

Art 8
Overwegende dat het van het grootste belang word dat de Waszaal onder een ander opzichter en ook van andere arbeiders voorzien wordt.-

Art 9
Er bestaan geene voldoende bewijzen om den opzichster in de waschzaal schuldig te kennen aan het haar in dezen ten laste gelegde, doch wel aan eene slegte Directie welke er in de Waschzaal heerscht.-

Art 10
De Raad ontzegt de huizvrouw van den kolonisten arbeider J. C. van Elmpt hare betrekking als Opzigster in de Waschzaal, als mede de in deezen vermelde Weezen als arbeidsters in dezelve, en bestemd de laatsten voor het Landwerk.

Art 11
Door den Secretaris wordt voorgelezen eene klagte van den Zaalopziener Jeune tegen de Weezen Oberdier, Rompel & Maurits welke ieder een hembd zouden hebben zoek gemaakt hetgeen hij veronderstelde, door hun verkogt te zijn, en hetwelk van de beide eerstgenoemden genoegzaam bewezen is.

Art 12
De Raad is van gevoelen dat Oberdier & Rompel behoren gestraft te worden, doch dat Maurits wiens hembd wederom is teruggekomen, voor dit maal niet gestraft, maar serieuselijk zal gecorrigeerd worden.

Art 13
Oberdier & Rompel worden door den Raad verwezen ieder voor 4 dagen in de strafkamer om den anderen dag te water & brood. Volgens Art 3, 8e onderdeel van het Reglement van Tucht.

Art 14
De Zaalopziener Jeune wordt met de executie dezes belast.

Art 15
De Werkzaamheden afgelopen zijnde, wordt de Raad gesloten.-

Aldus garresteerd op dato als boven
De president & Leden
A.de Geus, L. N. Bandering, J. Emmelot, N. V. v. d. Kamp


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622

Notities bij het zittingsverslag