Arbeiders bij het derde gesticht Veenhuizen

Vergadering van den Raad van Tucht bij het 3e Etablissement te Veenhuizen op den 11 februarij 1831


De Raad,

Gelezen de klagte van den Onder Directeur binnen tegen de Vrouw en Dochter van den Arbeiders Kolonist Mollenbeek, welke, zich zonder verlof van de Kolonie hebben verwijderd, en zich voor den tijd van 4 weken naar ’s Gravenhage begeven.

Gehoord de beklaagden, welke tot redenen van verschoning in brengen:

dat zij van hare famielle een brief hadden ontvangen waarin des vrouws moeder de wensch te kennen gaf van haar gaarne over famielle belangens te willen spreken.

Dat zij zich met dien brief bij den Heer Adjunct Directeur had vervoegd ter bekoming van verlof, doch deze haar zulke had geweigerd.

Dat zij geen verlof kunnende bekomen en hare reis noodzakelijk was, zonder permissie was heengegaan.

Dat zij drie dagen voor haar vertrek uit ’s Hage een verhoor had gekregen bij de Sub Commissie dier plaats, bij wien zij hare belangens had ingebragt en welke haar had geantwoord dat zij zich met de meesten spoed naar de Kolonie moest terug begeven en haar in dat geval geene straf zoude geworden.

Gehoord de Dochter van Mollenbeek welke zegt tot gezelschap harer Moeder te zijn mede gegaan.

Gehoord den Persoon van Mollenbeek (de Man) welke verklaard van het vertrek zijner vrouw en dochter geen kennis te hebben gedragen en haar niet tehuis vindende in het denkbeeld verkeerde dat zij een boodschap waren doende naar het 2e Gesticht, zoo als de buren hem gezegd hadden.

Gehoord den Heer Adjunkt Directeur aan den Raad te kennen gevende dat hij haar het verlof geweigerd had, voor eerst omdat hem de noodzakelijkheid daarvan niet genoegzaam gebleken was; ten anderen, wijl hij het niet raadzaam achte, dat eene vrouw van bijkans 70 Jaren oud, in de winter, eene zoo  verre reis ging ondernemen, en eindelijk dat de Vrouw zich meermalen was te buiten gegaan in het gebruik van sterke dranken.

Overwegende dat de redenen van weigering door den Heer Adjunkt Directeur opgegeven allesints billijk en gegrond zijn,

Overwegende dat de vrouw zich des niettegenstaande van de Kolonie heeft verwijderd, en hare dochter mede daartoe schijnt te hebben overgehaald,

Overwegende dat de Vrouw voor de tweede maal voor de Raad verschijnt, als op den 12e Augustus 1830 ter zake desertie en dronkenschap,

Overwegende eindelijk dat er geene termen bestaan om de beklaagden van de straf bij het strafreglement voorgeschreven vrij te kennen, ondanks het antwoord der Sub Commissie van ’s Hage dat haar geene straf zoude worden opgelegd, hetgeen in alle gevallen nadere bevestiging vereischt.

Gelet op art 2 L d, in verband beschoud met art 3 2e onderdeel van het reglement van Tucht:


Verwijst de bedoelde vrouw en dochter onder approbatie der Permanente Commissie om voor een onbepaalde tijd naar de Kolonie Ommerschans te worden overgeplaatst.-

Aldus gearresteerd op dato als boven
De President en Leeden
A. de Geus, C. Hulst, L. NBandering, Coens, Blanken

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622

Notities bij het zittingsverslag