Kolonisten gezinnen - Veenhuizen-1
Proces Verbaal van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor kolonisten Huisgezinnen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen
Zitting van Dingsdag den Zestiende Augustus 1800 zes en dertig


Tengevolge Art 10 van het Reglement van Policie en Tucht voor Kolonisten Huisgezinnen, behoorende bij de Resolutie der Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid van den 8e Julij 1829 N. 19 zijn door den Adjunct Directeur, Chef van het Gesticht, als Leden der Raad voor één jaar voorgesteld: als uit de Kolonisten Hoevenaars Hendrik Gerrits Timmermans, en uit de Kolonisten Huisgezinnen Klaas Bronsema, Remke Sijbolts Hunia, en Bonne Willems Dikland.- Zijnde met meerderheid van stemmen hier toe gekozen Klaas Bronsema en Bonne Willems Dikland.

Den President brengt ter tafel een bij hem ingekomen aanklachte tegen den bedelaars Kolonist Pieter Gutteling en zijn zoon genaamd Hendrik Valantijn Gutteling dewelken op Zondag Ochtend omstreeks half vier uren, waren aangehouwden, door den Wijkmeester Harm Kuipers en de Kolonist Fransciscus Bodenstaf dragende één zak, daarmede de weg nemende na Norg, waarin zij voorgaven te hebben eenige vodden, die zij zegden daar te willen verkopen;
dan bij onderzoek bleek het, dat in plaats van het opgegevene zich een hoeveelheid wol in die zak bevond, waar om genoemde Ambtenaar den aangeklaagde in de strafkamer heeft opgesloten, om zijn Rapport van bevinding hier over uit te brengen.

Naar aanleiding van Art 12 van gezegd Reglement heeft men de aangeklaagden doen binnen staan, en hun tegen de twee hier boven gemelde getuigen gehoord; zij bekende dat de aanklachte met de waarheid over een stemmende was.

De President heeft de aangeklaagde vervolgens ondervraagd, hoe zij aan die wol waren gekomen; waar op Pieter Gutteling heeft voorgegeven, dat hij die uit de Vuilnis der Fabrijk had gezogd en wel drie Jaren bij één had gegaard.-

Men heeft hier op den Fabrijkbaas doen binnen staan om ook denzelve hier in te horen; en de welke ons heeft verklaard na de wol grondig te hebben onderzogt; die te bevinden te zijn van de scheering der schapen van dit jaar,
ook het Lid der Raad K. Bronsema stemt na een gedaan onderzoek als deskundigen in dit gevoelen; voor het overige draagt het alle blijken dat deze wol die na te zijn gewogen bevonden is te zijn 3 ½ zegge pond van tijd tot tijd van de Fabrijk waar op den eerst aangeklaagde werkzaam was, is ontvreemd. dus na door overtuiging van diefstal van wol, toebehorende de maatschappij te zijn in beschuldiging gesteld heeft men hen doen buiten staan om over te gaan tot de op te leggen straf.

Ofschoon La.E onder het 2e Art van gezegd Reglement
“Ontvreemding, verwaarlozing, opzettelijke beschadiging en verkoop of verpanding van een anders goed, het zij van mede kolonisten het zij van de Maatschappij, in gebruik toebehorend of niet” op hen van toepassing is en waar op de straf bepaling is vastgesteld bij Art 3
“Drie dubbelde vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde, verkochte of verpanden door hem, die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder  La  E vermeld schuldig maakt, benevens voor opsluiting voor Acht dagen in de strafkamer of ook wel verplaatsing naar de Ommerschans buiten de vergoeding worden gestraft”

De President houd de beschuldigde echter voor te gevaarlijke voorwerpen om bij dit Gesticht te verblijven, en steld daar om den Raad in omvraag voor om aan de Permanente Commissie voor te stellen van het Huisgezin van den Bedelaars Kolonist Pieter Gutteling te doen overplaatsen naar de Ommerschans waartoe dit gezin primitief behoorde, welks voorstel met algemeene stemmen is aangenomen-

Verlangende de Raad dat hier van Proces Verbaal wordt opgemaakt zoo als geschied bij dezen ten einde krachtens Art 13 aan de Permanente Commissie tot Approbatie onmiddelijk zal worden opgezonden.-

De gecondemneerde hebbende doen binnen staan is dit vonnis hun door voorlezing bekend gemaakt.

Gedaan te Veenhuizen 1: Gesticht op Dag en datum als boven is gemeld.-
Poelman, Pres.
Haarman
K. Bronsema
B Dikland
L. Coelen, secr.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij de ingekomen post augustus 1836 invnr 174 scans 463-464

Notities bij het zittingsverslag