Kolonistengezinnen - Veenhuizen-3

Kolonie Veenhuizen 3e Gesticht Verhandelde in de Raad van Tucht op den 18 Julij 1838


De leden zijn allen tegenwoordig, de President opent de vergadering.

Wordt voorgenomen de klagte tegen de wed. Rodenburg behorende tot de arbeiders huisgezinnen van dit gesticht dewelke zich niet ontzien heeft gister achtermiddag met den Veteraan Schalk een herberg te Westervelde te gaan bezoeken, een huis hetwelk als hoogst schadelijk door onzedelijkheid, bekend staat;

De Wed. Rodenburg wordt binnen geroepen om haar te horen.

Zij geeft te kennen dat opgenoemde Veteraan haar had laten vragen om met hem naar Westervelde te gaan naar de Burgemeester, om dat hij van zijne wettige vrouw scheiden wilde en dan met haar voornemens was te huwen,
verders verklaarde zij verleid te zijn geworden en diergelijke verontschuldigingen meerder, die bij sommigen in hare positie, als niet geheel van eenigen grond ontbloot te zijn, zouden kunnen gehouden worden,
doch hetgeen men ten opzichte van de Wed. Rodenburg niet behoefde aan te nemen, naardien deze vrouw zich gedurende twee jaren zoo verfoeijelijk in het wellustige heeft aangestelt, dat de Directie telkens voorzorgen heeft moeten gebruiken.

De Wed. Rodenburg treed wederom af en de Raad gaat tot de deliberatie over.

Gezien art 2 litt f “Onzedelijke omgang met of verleiding tot onzedelijkheid van anderen”, alsmede Litt c van art 1 van het Reglement d.d. 21 Julij 1829 N. 31, houdende ampliatie op het Reglement van Tucht d.d. 8 Julij deszelfden jaars, luidende ”het bezoeken van herbergen of andere in de nabijheid der kolonien staande huizen, welke de Directie als schadelijk of voor de onzedelijkheid bevorderende worden aangewerkt en daarom verboden zijn”

Zal gestraft worden volgens art 2 sub 2 van het zo even aangehaalt Reglement van Tucht voor de Kolonisten Huisgezinnen, zijnde van den volgenden inhoud:
“Verplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de Kolonie aan de Ommerschans van hem die zich andermaal aan die verkeerdheden schuldig maakt enz.!”

De President vraagt het gevoelen van de Raad.

Overwegende dat sedert twee jaren zeer veel op het gedrag van de Wed. Rodenburg is te zeggen geweest,-
zij is eene wellustige vrouw en wordt hoe langer hoe meer schadelijk ja gevaarlijk voor de jeugt,
men herinnert zich den vreemden arbeider met wien zij permissie had bekomen te mogen huwen, doch die haar afgezet hebbende, is heen gegaan om nimmer weder bij haar terug te komen, zelf weesjongens heeft zij zoeken op te houden,-
voor eenige dagen geleden is de veteraan Schalk des nagts ten een uren nog ten hare huize geweest, zij is daar over serieuselijk onderhouden geworden, beloofde beterschap en niet tegenstaande gaat zij gister openlijk met hem naar eene verbodene plaats.-

Overwegende verders dat de vrouw van Schalk met hun dochter eergister alhier is aangekomen, op een schrijven van haren man dat hij van haar scheiden wilde, zoo dat de Wed. Rodenburg zelf van echtbreuk niet is vrij te kennen.

Wordt met eenparige stemmen goedgevonden:

De Wed. Rodenburg onder approbatie van de Permanente Kommissie te verwijzen voor eenen onbepaalden tijd naar de Strafkolonie aan de Ommerschans, terwijl de Raad verders vermeent de Permanente Kommissie te moeten voorstellen, het zo mogelijk daar henen te dirigeren, dat de zes nog zeer jonge kinderen tot zo lang de moeder te Ommerschans zoude moeten zijn, in het gesticht alhier geplaatst wierden.-

De Wed Rodenburg komt weder om binnen en de President zegt haar wat de Raad
ten haren opzigte besloten heeft, waar na zij wederom aftreed.-

Niemand der Leeden iets meerder hebbende voor te dragen, zoo wordt de Raad gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven
De President & Leden
S. B. Drijber
C. W. Rensing
L.NBandring
C. Blanke
H. Priem


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622

Notities bij het zittingsverslag