Kolonisten gezinnen - Veenhuizen-3

Kolonie Veenhuizen 3e Gesticht Vergadering van de Raad van Tucht op den 14e November 1841


De voorzitter opent de vergadering.

Wordt voorgenomen het op gister ten huize van de Wed. Rodenburg (arbeiders huisgezin) voorgevallene, waar van de aanklagte des Onder Directeurs (binnen) aldus is luidende:

“Zondagmorgen na kerktijd vermoedende dat de sedert eenige dagen zich alhier ophoudende Zoon van den arb. kolonist J. B. Meijer ten huize van de Wed. Rodenburg zoude te vinden zijn, zo begaf ik mij derwaarts en bevond dat mijn vermoeden gegrond was,
ik gaf hem daarop te kennen dat hij dit huis onmidlijk moest verlaten, en niet weder daar in terug mogt keeren,
waarop genoemde Meijer opvliegende, mij op eene verregaande wijze, door uitbraking van de uitgezogste taal eens Tuchthuis boef, beledigde en mij vervolgens, het huis uitgaande, achtervolgde,
onder wege uit zijn vaders woning een mes halende, dat aan de muur van het Gesticht slijpende, en onder aanhoren van een aantal menschen uitriep “ik zal hem (den Onder Directeur) G. v.d. de pens opensnijden dat hem de darms de buik uit kruipen”
vervolgens is hij mij achtervolgt en het huis van den Adjunct Directeur ingekomen, alwaar hem het mes door den Smit H. W. de Graaf is afgenomen.”

Zie hier zo kort mogelijk de toedragt der zaak omschreven.

Alvorens de Raad overgaat om de Wed. Rodenburg te straffen voor het ophouden ten haren huize van jongelieden of ongehuwden wil zij deze Wed. en haar gedragingen, van af de dood haars mans, vooraf eens nagaan.

In aanmerking nemende dat de Wed. Rodenburg zich niet ontzien heeft voor omstreeks 2 jaren geleden, zich op te houden met een geheel vreemd persoon, waarmede zij huwen wilde, doch die zich heimelijk uit de voeten maakte, toen haar geld, dat zij destijds van haar Vader had ontvangen, ten einde was.

In aanmerking nemende dat zij, na herhaalde malen na dat geval is gewaarschuwt geworden, van zich met geene mannen te harent op te houden, zo heeft zij niettegenstaande deeze waarschuwing en verbod, daarmede niet opgehouden.

In aanmerking alverder nemende dat zij eenen onzedelijken omgang met (nu wijlen) den Veteraan Schalk gehad heeft, en dat zij in dien tijd zwanger is geraakt, dien ten gevolge overgeplaatst is geworden naar de Ommerschans, en nu sedert één jaar tijds slegts van daar terug zijnde zich bij vernieuwing en onophoudelijk aan onzedelijken omgang met mannen ja zelfs met jongelingen, die zij daartoe zoekt over te halen, schuldig maakt.

Gezien art 2 sub f luidende:
“onzedelijken omgang met of verleiding tot onzedelijkheid van anderen”
zal volgens art 3 gestraft worden met verplaatzing voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans.

De President vraagt het gevoelen der leden.

Men begrijpt met algemeene stemmen dat deze straf andermaal op de Wed. Rodenburg dient toegepast te worden en alzo

wordt besloten

Het huisgezin van de Wed. Rodenburg onder approbatie van de Permanente Kommissie voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Strafkolonie te Ommerschans.

De Wed. Rodenburg die men, hangende de beraadslagingen van de Raad, heeft doen buiten staan, wordt binnen geroepen en wordt haar vonnis bekent gemaakt.

Niemand der leeden daar na iets meerder hebbende in te brengen zo wordt de Raad gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven
De President & Leeden
S. B. Drijber
C. W. Rensing
L: NBandring
P. Gijben,
J. Bosma, Secretaris
Het Lid Blanke is door ongesteldheid  verhindert op te komen.

Tot opheldering vermeent de Raad te moeten vermelden dat de persoon van Meijer een zoon is, uit het arbeiders huisgezin van J. B. Meijer, die sedert jaren niet meer tot de sterkte van het huisgezin heeft behoort, en nu voor eenige dagen geleden uit het Tuchthuis te Hoorn is ontslagen en alhier vagabonderende is
SBD


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622

Notities bij het zittingsverslag