Kolonisten gezinnen - Veenhuizen-1

Extract uit de Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht en Policie voor de Kolonisten Huisgezinnen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen
Zitting van Woensdag den 1e Juni 1842


Present
J. Poelman, president
Leden:
A. Textor
G. Kuipers
P.S. Hunia
B,W.  Dikland
L. Coelen, secretaris

De raad door den President geconvoceert zijnde waren allen de Leden tegenwoordig.

De president opent de vergadering en brengt ter tafel een bij hem ingekomen rapport van den Geneesheer bij dit gesticht dat de invalide wees Meintje Koude oud 35 jaren zich in eene zwangere toestand zoude bevonden.

De raad heeft de aangeklaagde doen binnen staan, di verklaart bezwangert te zijn door den Bedelaars Kolonist Cornelis Moens oud 56 jaren.-


Moens gehoord hebbende verklaart dat zulks beneden de waarheid is en hij nimmer met M. Koude in aanraking is geweest, waaruit deze gevolgen hadden kunnen voortvloeijen,
intusschen verklaart M. Koude in zijnde tegenwoordigheid, dat hij wezentlijk de man is van wien zij zich in zwangeren toestand bevindt,
en hem de plaatselijke ontmoetingen verwijt, waar dat zij elkander van nabij zoude gesproken hebben,

na ook in beider tegenwoordigheid de Vrouw, waar dat M. Koude was ingedeeld gehoord te hebben:  verklaart zij dat M. Koude haar gezegd had, Moens zich aan oneerbare aanrakingen had schuldig gemaakt,
dat Moens aan haar man (Hubener) den voorslag had gedaan om met Mientje op eenen avond eens op zijn Zeeuwsch  te mogen vrijen, die hem vroeg, op wat wijze dat gebruikelijk was (door het licht uit te doen),
waar op Hubener hem het huis heeft verboden om de gevolgen voor te komen, die hiervan konden geboren worden, hoe zeer het nu blijkt er reeds kennis van nabij moet hebben bestaan;
misschien was het de vrouw des huizes niet onopgmerkt gebleven, dat Moens en Mijntje Koude, elkander genegenheid toedroegen; zelfs zoo dat Moens onder betuiging van liefde te kennen gaf oneindig veel meer  genegenheid voor Meintje te bezitten, als hij voor zijne overledene vrouw had gehad.-


De raad de gedaagden hebbende doen aftreden omdat Moens steeds de aanraking met Mientje bleef ontkennen, doch niet dat hij niet in zotte praat haar allerlei gekheden had verteld, en dan ook niet wilde ontkennen  of had veel gevoelend voor Meijntje, doch geenszins van eenen  onzedelijken aard; - daarentegen blijft Meijntje hem onveranderlijk beschuldigen:-


De president zich tot de Leden van de raad wendende, die de Leden indachtig maakte, op het gehoorde van partijen, over en weder,
vraagt hen ieder in het bijzonder hun gevoelen af, en houden het er éénparig voor dat Moens er voor gehouden mag worden als de persoon waar van het invalide wees meisje Mijntje Koude zwanger is;
ook is dit het algemeene gevoelen bij het gesticht en voor al van hen die  in de gelegenheid zijn geweest de omgang van nabij te hebben kunnen opmerken.-


Hoezeer het gevoelen van de Raad niet door kan gaan Moens te beschuldigen zonder eenig bewijs, zoo heeft de raad besloten uit hoofde het toch ééne zedelooze huishouding is, waar van twee der Dochters (de ééne twee waar van er Een overleden is en de andere een onecht kind hebben), de Permanente Commissie voor te stellen deze huishouding te ontbinden en in de zalen onder de bedelaars te Ommerschans terug te plaatsen, als ééne huishouding, niet waardig van dit voorregt te deelen.

En tengevolge Art 3 van het reglement van Policie en Tucht La F Meijntje Koude voor eene onbepaalde tijd te verwijzen naar de Straf kolonie te Ommerschans.-

Waar van Proces Verbaal is opgemaakt.

De gecondemneerde hebbende doen binnen staan is dit vonnis hen voorgelezen.

Op rondvraag van den President, niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de vergadering gesloten.

Gedaan te Veenhuizen op dag en datum als boven is gemeld.
Was getekend: J. Poelman, pres.
A. Textor
G. Kuipers
P.S. Hunia
B. W. Dikland
allen Leden der raad
mij bekent,
 L. Coelen, secretaris

Voor Extract Conform  de secretaris L. Coelen


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1619

Notities bij het zittingsverslag