Raad van Policie en Tucht bij het 3e Gesticht te Veenhuizen voor arbeiders huisgezinnen op den 28 July 1843


Wordt voorgeroepen den kolonist P. Oostwoud, welke verdacht wordt gehouden van eene koe te hebben mishandeld, op zijne reis met 4 stuks koeije, van de Ommerschans naar herwaards, waarvan er één onderweg gestorven is.

De Raad, hem zulks te kennen gevende, verklaart Oostwoud daarop, dat hij hoegenaamd geene kwade bejegening aan een van de koebeesten gedaan heeft, en voert ten bewijze zijns gezegden onder andere aan:

1e dat de koeijen op het veld tusschen de plaatsen Hijken en de Smilde nog gezond graasden, volgens schriftelijke getuigenis van twee schaapherders, welke in die nabijheid waren.

2e dat kort daarna in genoemd veld, de koe is gestorven, ten gevolge het verkrijgen eener verstopping en wind, hetgeen de door Oostwoud geroepen veearts, mede schriftelijk getuigt, dewijl hij de koe geopend heeft, daar dezelve reeds dood was, bij de komst van gen. veearts.

3e dat het den dag van zijn op weg zijn met de koeijen, buitengewoon heet was en hoewel hij 's morgens vroeg ten half drie ure reeds van Hoogeveen op weg is gegaan, eerst ten 10 ure te Bijlen is aangekomen, en omstreeks een a twee uren op het veld bij Hijken was, dus op het warmst van den dag, wanneer de koeijen in eene waterpoel zijn geweest, en van dat water hebben gedronken, zoo is het mogelijk dat zulks de gestorvene koe beletsel kan gedaan hebben.

Aan het te spoedig drijven der koeijen, volgens opgenoemde afstand en tijd, zouden geen der koeijen eenig ongemak kunnen hebben verkregen.

De Raad de verklaringen van Oostwoud - die haar niet ongegrond en wel aannemelijk voorkomen - in overweging nemende, kan niet overtuigend genoeg vinden dat Oostwoud schuldig zou zijn aan het hem ten last gelegde, en besluit zij daarom met eenparige stemmen, hem niet schuldig te verklaren, doch, met eene gepaste aanbeveling heen te laten gaan.

Oostwoud, binnengeroepen zijnde, geeft de President hem het genomen besluit der Raad te kennen en beveelt hem de noodige zorg en belangstelling voor het vervolg aan, en gaat de Raad hierna uiteen.

De President:
S.B. Drijber,
De Leeden:
J. Bosma
L. NBandering
De secretaris:
J. Visscher


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622

Notities bij het zittingsverslag