Extract uit de Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht, voor Arbeiders huisgezinnen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Zitting van den 3 April 1853


Present
C. W. Rensing, Pres
Leden van den Raad: A. Textor, L. Heidema, B. W. Dikland, R. S. Hunia
J. F. Morriën, secretaris

De voorzitter opent de vergadering. Den arbeiders kolonist P. K. van Gemert, verschijnt voor den Raad wegens ontvreemding van Rogge, toebehorende aan de Maaatschappij van Weldadigheid.

Hij stond reeds van vroeger dagen als oneerlijk bekend, en lag daar door steeds onder verdenking; in zijne groote jas zakken moet hij sedert langen tijd twee maal daags rogge medegenomen hebben, waar toe hij zeer goed in de gelegenheid was, om dat hij de betrekking van opzigter bij de rogge dorschers bekleedde.-

Toen men begon te twijffelen, zijn de nodige middelen in het werk gesteld om hem op de daad te betrappen; en zulks is gelukt, den Onder Directeur Heidema heeft hem op weg aangehouden en voor den Adjunct Directeur gebragt, alwaar uit zijne beide zakken ruim twee koppen rogge is gestort, dit zal dus per dag vier kop zijn geweest.

De schuldige kan niets anders tot zijne verontschuldiging inbrengen, als alleen, dat behoeftige omstandigheid van zijn gezin, hem hier toe gebragt heeft.

Gezien Art 3 sub 3 van het Reglement van Tucht voor Kolonisten huisgezinnen, waarbij eene dubbele vergoeding wordt opgelegd van het bedrag van het ontvreemde, en daar en boven overplaatsing naar de Ommerschans.

Wordt besloten

Den arbeiders Kolonist P. K. van Gemert te straffen met overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans onder approbatie van de Permanente Commissie, als mede in de dubbele vergoeding van het ontvreemde.

Aan den gevonnisde wordt de beschikking van den Raad van tucht medegedeeld; terwijl de President bij deze gelegenheid vermeend, hem te moeten onder het oog brengen, dat het bekende spreekwoord, “wie een put voor een ander graaft er zelve invalt”, in dezen zoo zeer op hem van toepassing is; dat vele onaangenaamheden aan dit Gesticht, door zijn toedoen hebben plaats gehad; hij zichzelf niet ontzien heeft de plaatselijke Directie in zijne naamlooze brieven te belasteren en zich aan het hoofd van eenige mannen van zijn soort heeft gesteld, waar van nu juist een hunner, in stilte, zijn aanklager is.-

Niemand der Leden iets meerder hebbende in te brengen, zoo wordt de vergadering gesloten.

Aldus opgemaakt op datum als in hoofd dezes vermeld en ondertekend door
(wgt) C. W. Rensing, Pres.,
Leden van den Raad: A. Textor, L. Heidema, B. W. Dikland, R. S. Hunia
J. F. Morriën, Secretaris
voor Extract conform
De secretaris
J. F. Morriën


Bijlage 1: Verweerschrift van Gemert


Dit is ondergebracht onderaan de pagina Van Gemert.



Bijlage 2: Besluit van de permanente commissie 21-04-1853 N4


NB: De permanente commissie reageert met dit besluit niet alleen op de bovenstaande zaak, maar ook op enkele andere tuchtzaken in Veenhuizen en Ommerschans waarvan geen transcripties zijn.


’s Gravenhage, den 21 April 1836

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID
Nader 19 dezer N17
Nader 1 dezer N4
Nader 30 Maart ll. N4

Nader gelezen den brief van den Dir der Kolonien van den 12 dezer N 977 en de daarbij opgezonden Processen verbaal van de Raden van Tucht bij de Gestichten te Ommerschans en Veenhuizen over de maand Maart ll.

Mede nader gelezen de brieven van den Dir der Kolonien van den 18 (of 10) en 26 Maart ll. N. 706 en 785 betrekkelijk den onzedelijken omgang van den schrijver bij het 2e Gesticht te Veenhuizen J. Reinders met de veteranen weduwe Reiss.

Gelezen een adres van den arbeiders kolonist P. K. van Gemert te Veenhuizen, strekkende om ontheffing van de hem opgelegde straf van verwijzing naar de strafkolonie te Ommerschans.

Besluit

1. te bekrachtigen de verwijzing voor een onbepaalde tijd naar de strafkolonie te Ommerschans van de veteranen Weduwe Reiss met haar huisgezin.-

2. niet te bekrachtigen de verwijzing naar dezelfde strafkolonie van den arbeiders kolonist P K. van Gemert te Veenhuizen maar dien kolonist met zijn huisgezin ter zake van oneerlijkheid het verblijf in de kolonien te ontzeggen en alzoo de gunst van plaatsing hem indertijd door de P. C. verleend, die hij zich door zijn gehouden gedrag onwaardig heeft gemaakt, in te trekken.

3. mede niet te bekrachtigen de overplaatsing in de meisjeszalen van het Kinder Gesticht te Veenhuizen van Antje Crevot, dochter van de onder de arbeiders huisgezinnen te Veenhuizen gevestigden gewonen kolonist J. H. Crevot als zijnde deze straf niet in overeenstemming met het Reglement van Tucht doch haar ernstig onder het oog te doen brengen dat zij bij aldien haar gedrag verder aanleiding tot klagten mocht opleveren, zij alsdan, overeenkomstig de bestaande verordeningen door den Raad van Tucht naar de strafkolonie te Ommerschans zal moeten worden verwezen en zonder de minste verschooning derwaarts zal worden overgeplaatst.

4. den schrijver bij het 2e Gesticht te Veenhuizen, J. Reinders, ter zake van zijn onzedelijk gedrag uit de dienst der Maatschappij te ontslaan.-

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Dir der Kolonien ter uitvoering en extract van het ?? dezes aan den Verificateur tot ????
P.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post 21 april 1853 N4, invnr 750

Notities bij het zittingsverslag