Kolonisten gezinnen - Veenhuizen-1

Extract uit de Notulen van het verhandelde in de raad van Tucht voor Arbeiders huisgezinnen bij het 1e Gesticht
Zitting van den 2e Mei 1856


Present
C. W. Rensing, Presdt
Leden: G. J. Hendriks, W. Heidema, B. W. Dikland, R. S. Hunia
J. F. Morriën, secretaris

De voorzitter opend de Raad.

De Wed Kuijpers, hoofd van het gewoon Kolonisten huisgezin van dien naam aan dit Gesticht, is in de vorige maand zonder permissie naar ’s Hage gegaan, om haren Zoon, aldaar wegens ziekte achter gebleven aftehalen, die tot de sterkte van het huisgezin behoord.

Die Wed. staat thans voor de raad van Tucht, ter zake van die overtreding te regt, en het verkeerde van deze handelwijze wordt haar onder het oog gebragt, waarop zij te kennen geeft, niet te hebben geweten, dat zij zulks niet doen mogt.

De Wed Kuijpers heeft aan de plaatselijke Directie van dit gesticht een verlof naar ’s Hage gevraagd, dat geweigerd is moeten worden; en toch is zij heen gegaan, zij konde dus zeer goed begrijpen, dat op ongehoorzaamheid straf moet volgen.

De Raad moet echter hier bij in aanmerking nemen, dat aan dit huisgezin, het welk slechts korten tijd hier is, het Reglement van Tucht nog niet is voorgelezen.

De Wed. meergenoemd, verwijderd zich gedurende de beraadslaging.

Gezien Art 2 Litt B en Art 3 Sub 1 van het Reglement van Tucht voor de Kolonisten huisgezinnen, waar bij eene opsluiting in de strafkamer van 3 tot 8 dagen bepaald wordt.
De Raad is van gevoelen, dat er, door het niet voorleezen van het Reglement van Tucht, termen bestaan, om het bij eene krachtige vermaning te laten berusten.

Wordt besloten

De Wed Kuijpers om boven aangevoerde redenen, te ontheffen van de straf die het Reglement van Tucht op de onderhavige overtreding oplegd, maar haar te kennen te geven, dat wanneer zij zich weder om aan de minste overtreding schuldig maakt, zij op geene inschikkelijkheid rekenen moet.

Verders wordt vastgesteld, dat reeds op morgen alle de huisgezinnen aan dit Gesticht, bij vernieuwing, het Reglement van Tucht zal worden voorgelezen.

Niets meer te behandelen zijnde, wordt de Raad gesloten.

Aldus gedaan op datum als in hoofd dezes vermeld en onderteekend door:
(wgt) C. W. Rensing, President
Leden van de Raad: G. J. Hendriks, W. Heidema, B. W. Dikland, R. S. Hunia
J. F. Morriën, secretaris

Voor Copij Conform
De secretaris
J. F. Morriën


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 17 juni 1856 N6, invnr 835

Notities bij het zittingsverslag