Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

De Raad van Tugt belegd op heden den 17 November 1830 door den WelEd Heer S.B. Drijber als Presedant


Aanwezig den Heer President voornoemd, de onder Directeuren J. Kluvers en Neyenbandering, de Zaalopzieners Buck en Klaveren.

Om te onderzoeken en te vonnissen ter zake twee ingekomen Peocessen verbaal van de Zaalopzieners van Eck en Mulder ten laste van den Bedelaars Kolonisten  F. Viret, H. H. Winter en E. van der Goor,
opgemaakt en houdende aanklagt wegens begane Desertie op den 16e  dezer

en van Franciscus Dammers als hebbende zich schuldig gemaakt om door overklimming te Zijn op een plaats aan het vrouwenkwartier alwaar hij niet behoorde hebbende daarenboven den Brigadier van Dompseler die hem naar zijn Zaal geleiden met grove Brutaliteit bejegend.

Daar zulks strijdig is met Art. 11 wegens eerstgemelde en Art. 9 wegens laatstgemelde misdaad, Zoo worden voormelde Bedelaars Kolonisten  ter verantwoording hiervan voor den Raad gebragt.

Voormelde Processen verbaal worden de aangeklaagden voorgelezen, waarbij zij bekennen zich aan voormelde misdaden te hebben schuldig gemaakt, waarop de Raad de  beschuldigden doet buiten gaan.

De President stelt voor op grond van Art. 11 de Kolonisten (Viret,  H.H.Winter en E. van der Goor de straf op te leggen van tien dagen Provoost Arrest, en aan de kolonist Fr. Dammers volgens art. 9 dien van 8 dagen Provoost Arrest.

De overige Leden stemmen toe in de strafbepaling van den President, zullende voormelde straffen van heden af aan worden ten uitvoer gebragt.

Aldus opgemaakt door de Raad van Tugt ten dage en Jare voorschreven.
S B Drijber
J.Kluvers
L N Banderin
J. Buck
D. Klaver
de secretaris F.H. Krieger

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag