Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

De Raad van Tugt belegd op heden den 15e December des Jaars 1800 dertig door den WelEdele Heer S B Drijber President


Aanwezig de President voornoemd, de Onder Directeuren J Kluvers, L Neyenbandering  en den Onder Directeur der Fabriek, L ten Broek en de Zaalopzieners Buck en Klaver,
om te onderzoeken en te Vonnissen ter zake betrekkelijk ingekomen Proces Verbaal van den Zaalopziener van Eck ten bezwaren opgemaakt van den Bedelaars Koloniste Brouwer als hebbende zij zich schuldig gemaakt  aan het ontvreemden van een boeselaar toebehoorende aan de Bedelaars Koloniste Altenau en daar zulks strijdig is met artikel 13 van het tugt Reglement Zoo wordt dien ten gevolge meergemelde Bedelaars Koloniste Brouwer voor de Raad gebracht.

De beschuldigde wordt het tegen haar opgemaakt Proces verbaal voorgelezen, waarop zij zegt

1e: hetzelfde te hebben gekocht van een Bedelaars Kolonist bij het 3e gestigt welke nu onder dienst is en zij niet kende.

2e: daarna zegt zij wederom, dezelve te hebben gekocht van een man aan het 3e gestigt welke Kolonist was welke had gezegd onder dienst te gaan, doch daar er aan het 3e gestigt geen man onder dienst is gegaan buiten een kolonist is zulks onwaar en niets anders dan vergeefsche uitvlugten.

3e: Vervolgens zegt zij die broek over dag genaaid te hebben.

4e: De kamerwacht Antonia Ouweneel getuigd dat zij de broek niet over dag heeft genaaid

5e: De Bedelaars Kolonist Eefje Hoetjes getuigd dat zij de broek des nachts heeft zitten naayen, waarop de aangeklaagde haar eerste gezegde weer verandert met de woorden dat zij dezelve laat in den avond heeft zitten naayen.

6e: De getuigen M C Soeters en Maria Grieson zeggen dat wanneer zij de broek zagen, het goed van de boeselaar van Vrouw Altenau wel te zullen herkennen, waarop het hun vertoond worden, de beiden hebben verklaard dat het datzelfde boeselaar was geweest.

Na de getuigen aldus gehoord te hebben, heeft de Raad besloten het goed van de Boeselaar  aan Vrouw Altenau weder toe te kennen, en daar de misdaad bewezen is, de Koloniste Brouwer de straf volgens Art. 13 van het tucht Reglement op te leggen van 14 dagen provoost arrest met opsluiting in boeijen te water en te brood om den anderen dag, zullende deze straf op morgen den 16e dezer een aanvang nemen.


Vervolgens zijn voor de Raad gebragt de Bedelaars Koloniste Pieter(?) Martyn  en F. Dammers als zijnde ten hunnen bezware door de Zaalopziener Muller ingeleverd, Proces Verbaal houdende aanklagt als hebbende Zich schuldig gemaakt aan het verkoopen van ????? buis en Kussen Sloop.

De beschuldigden worden meergemeld Proces Verbaal voorgelezen, waarna zij bekennen zich aan die misdaad te hebben schuldig  gemaakt.

De Raad doet de beschuldigden buiten gaan.

De President stelt voor op grond van artikel 13 van het Tugt Reglement ten gevolge bewezen gepleegde misdaad aan de Bedelaars Koloniste F. Dammers de straf op te leggen van 14 dagen Provoost arrest als zijnde hooft oorzaak van dezelve, terwijl daarbij komende verligtende omstandigheden Sieter(?) Martyn de straf word opgelegd van 8 dagen Provoost arrest.

Aldus opgemaakt door de Raad van Tugt op Dag, Maand en Jaar als boven.

De President en overige Leden
S.B. Drijber
J. Kluvers
L. N.Bandering
Buck
D. Klaver
L. ten Broek
De secretaris F.H.Krieger

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag