Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

De Raad van Tucht belegd op heden den Vijftienden Maart des Jaars 1800 Een en Dertig door den WelEdelen Heer S.B.Drijber als President.


Aanwezig de President voornoemd, de Onder Directeuren L. Neyenbandering en J. Kluvers, de Zaalopzieners van Eck en Klaver om te onderzoeken en te vonnissen in zake betrekkelijk ingekomen Proces verbaal als

1e: in dato 15e Maart van den Zaalopziener Buck ten bezware opgemaakt van de Bedelaars Koloniste A. van der Linden als hebbende zij zich schuldig gemaakt aan het verkoopen van een vrouwen hembd en daar zulks strijdig is met art. 13 van het Tucht  Reglement alhier in gebruik, zoo wordt voormelde Bedelaars Koloniste voor de Raad gebracht.

2e: in dato 14 Maart van den Zaalopziener Muller ten bezwaren opgemaakt van de Bedelaars Kolonist Pieter Martijn als hebbende zich schuldig gemaakt aan het ontvreemden van een hembd, ook heeft hij ten zijnen bezwaren zich aan deze misdaad schuldig gemaakt bij herhaling, dit alzoo strijdig zijnde met art. 13 van voornoemd Reglement, wordt meergemelde Pieter Martijn voor den Raad gebracht en eindelijk ten

3e: in dato 15e Maart van meergemelden Zaalopziener Muller ten bezwaren opgemaakt van den Bedelaars Kolonist Adolf Hendrik Zwaagman, als hebbende zich schuldig gemaakt op den 15e dezer aan het ontvreemden van een zakje aardappelen uit de Kuil alhier van het Gesticht en daar zulks strijdig is met Artikel 13 van voornoemd Reglement wordt hij almede voor den Raad gebragt.

De Raad ondervraagt voormelde drie Bedelaars Kolonisten of zij zich overeenkomstig de tegen hun opgemaakte Processen verbaal aan het ontvreemden van Koloniale Goederen hebben schuldig gemaakt.

Hierop hebben zij beleden dat voormelde Processen verbaal naar waarheid waren opgemaakt en zij volkomen hunne misdaad hadden bedreven.

Daarop laat de Raad de beschuldigden buiten gaan.-

De President treedt in overweging met de Leden van de Raad omtrent de strafbepaling van de aangeklaagden, waaruit de navolgende strafbepaling wordt vastgesteld, alle gegrond op Art 13 van het Tucht Reglement als

1e: Aan de Bedelaars Koloniste A. van der Linden de straf op te leggen van 6 dagen Provoost Arrest om den anderen dag te water en te Brood –

2e: Aan den Bedelaars Kolonist Martijn de straf op te leggen van 14 dagen Provoost Arrest om den anderen dag te water en te Brood en gesloten,en wel door verzwarende omstandigheden want dezelve heeft zich????? meermalen aan deze misdaad heeft schuldig gemaakt.-

3e: Aan den Bedelaars Kolonist A.H. Zwaagman de straf op te leggen van drie dagen Provoost Arrest en wel uit hoofde van verligtende omstandigheden vooral……..? in Zijne nog Zoo Jonge Jaren.-

Dezelve weder binnen geroepen zijnde en na hun de vonnissen te hebben voorgelezen, wordt de Raad geeindegd(?)

Aldus opgemaakt op dag, Maand en Jaar als boven

De President en verdere Leden
S.B.Drijber
J.Kluvers
L.Neyenbandering
D. Klaver
Van Eck
Krieger jun, secretaris<

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag