Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

De Raad van Tucht belegd op heden den 24 Meij des Jaars 1800 Een en dertig door den WELe Heer S.B. Drijber als President


Aanwezig den Heer Onder- direkteur J. Kluvers en L. ten Broeke en de Zaalopzieners Kloppenburg en Unverzagt om te onderzoeken en te vonnissen in zake betrekkelijk ingekomen Proces Verbaal van den Zaal opZiener Muller op gemaakt ten bezwaren van den Bedelaars Koloniste Jakob Kuik, Abraham Diependaal en Sybrandus Fransen als hebbende zich op Zondag den 22e dezer de morgens bij het aangaan der Kerk schuldig gemaakt aan desertie of ontvlugting voor de eerste maal en daar zulks strijdig is met Art: 11 van het tucht Reglement

Zoo worden dezelve voor de Raad gebracht.

De President ondervraagt voormelde Bedelaars Kolonisten of zij zich aan voormelde misdaden hebben schuldig gemaakt, hetwelk zij alle met Ja hebben beantwoord.

De beschuldigden worden daarop buiten de Raad gebragt.

De President treedt in overweging met de overige Leden aangaande oplegging hunner straf, waarna bepaald wordt de voornoemde Bedelaars Kolonisten Jakob Kuik, Abraham Diependaal en Sybrandus Fransen de straf op te leggen van 10 dagen Provoost arrest de twee eerste dagen te water en te Brood en om den anderen dag gesloten in Boeyen en voorts het onderscheidingsbak te dragen volgens gebruik voor de Deserteur.

De voornoemde Bedelaars Kolonisten worden wederom binnen geleid hun het vonnis voorgelezen waarna de Raad uiteen gaat en word geeindigd.

Aldus opgemaakt op dag, maand en Jaar als boven.

De President en Leden
S.B. Drijber
L. ten Broeke
J. Kluvers
S. Kloppenburg
J.D. Unverzagt
H. Krieger, secretaris

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag