Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

De Raad van Tucht belegd op heden den 20 July des Jaars 1800 Een en dertig door den WelEdele Heer S.B. Drijber als President


Aanwezig de Heeren Onderdirecteurs L. Neyenbandering en J. Kluvers en de Zaalopzieners Muller en Buck om te onderzoeken en te vonnissen in Zake betrekkelijk ingekomen Proces Verbaal van den Zaalopziener van Eck opgemaakt ten bezwaren van de Bedelaars Kolonisten Wilhelmina Lankhorst als hebbende zich op den 19e dezer schuldig gemaakt aan desertie voor de eerste maal met medeneming van goederen en geld aan andere toebehorende, en daar zulks strijdig is tegen art: 11 van ’t Tucht Reglement alhier in gebruik Zoo wordt deZelve te deeze Zake voor de Raad gebracht.

De President ondervraagt de beschuldigde of zij zich aan die desertie heeft schuldig gemaakt, Zoo danig als zulks is vermeld in voomeld Proces Verbaal wordt opgegeven, waarop Zij Zulks heeft bekend.

De Raad doet de beschuldigde buiten gaan, ten einde over een te komen en te Vonnissen welke straf haar volgens het Reglement moet worden opgelegd.

Dit besloten zijnde, wordt voormelde Wilhelmina Lankhorst wederom binnen gelaten en bij dezen de haar opgelegde straf voorgelezen, bestaande in 14 dagen Provoost Arrest en om den anderen dag gesloten in boeyen.
Zullende na het eindigen derzelver door haar ingevolge de bepaling van het Reglement het onderscheiden pak als Deserteur 4 maanden agtereen moeten gedragen worden.

En wordt de Raad gehouden bij deze gehouden voor geeindigd ten dage, maand en Jaar als boven.

De President en Leden
S.B. Drijber
L. Neyenbandering
J. Kluvers
Müller
Buck
Krieger, secretaris

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag