Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

De Raad van Tucht belegd op heden den 27 September des Jaars 1800 Een en Dertig door den WelEdele Heer S.B. Drijber als President


Aanwezig waren de Heeren onderDirecteurs J. Kluvers en L. Neyenbandering en de Zaalopzieners Kloppenburg en Unverzagt om onderzoek te doen en daarna te Vonnissen in Zake Betrekkelijk ingekomen Proces Verbaal van den Zaalopziener Buck strekkende tot aanklagt tegen de Bedelaars Kolonist Maria van der Putten en Aaltje Setjes(?) als hebbende Zich op den 22e dezer Schuldig gemaakt aan desertie voor de eerste maal, daar zulks strijdig is tegen art. 11 van het Tucht Reglement alhier in gebruik Zoo worden voormelde Bed. Kolonisten voor de raad gebracht.

Nadat hun bovengemeld Proces Verbaal is voorgelezen Zoo ondervraagd hun de President ol zulks overeenkomstig de waarheid is en of zij zich aan die desertie hebben schuldig gemaakt, waarop zij zulks hebben bekend.

De straf volgens art. 11 van voorgemeld Reglement op hun toepasselijk zijnde voorgelezen,  zoo worden dezelven daarna buiten buiten de raad gebracht.

De straf door de raad bepaald zijnde zoo worden de aangeklaagden wederom binnen  gelaten en het vonnis voorgelezen bestaande in 8 dagen Provoost arrest.

Verder niets meer te ondervragen zijnde, word de Raad gehouden voor geeindigd.

Opgemaakt…….

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag