Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Raad van Tucht op den 1e Maart 1832


Extract uit de Notulen van den gehouden Raad van Tucht bij het 2e Etablissement te Veenhuizen gedurende de maand Maart 1832.

Ingevolge het door den Adjunct-Directeur van het 2e Gesticht der Kolonie Veenhuizen belegden Raad van Tucht op den 1e Maart 1832 zijn gecompareerd des middags te drie uren den volgende Leden als:

Den Adjunct-Directeur A. de Geus, de Onderdirecteur J.Kluvers, den Onderdirecteur L.Nijenbandering, zaalopzieners Unverzagt en Klaver.

De President verklaart de vergadering voor geopend, zijn aan de Raad voorgelegd de navolgende Processen-Verbaal.

1. van den zaalopzieners J. van den Eijnden ,opgemaakt ten bezwaar van de Bedelaars Koloniste Johanna van Straten, hebbende zich schuldig gemaakt op den 29e jl aan het ontvreemden van een kous toebehoorende aan een harer mede Kolonisten. Dit strijdig zijnde tegen Artikel 13 van het Tuchtreglement alhier in gebruik zoo wordt zij hieromtrent ter verantwoording voor den Raad gebragt.

2. van den zaalopziener Buck als aanklager tegen den bedelaars Koloniste Elizabeth Metten, hebbende zich schuldig gemaakt aan het verkoopen van een vrouwenhemd aan haar mede Koloniste Hendrina van Oers. Dit almede strijdig zijnde tegen Artikel sub.13 van het Tuchtreglement hiervoren gemeld wordt zij almede voor den Raad gebragt.

3. Nog heeft zich schuldig gemaakt aan voormeld Artikel de bedelaars Koloniste Jannetje Teleijn ingevolge tegen haar opgemaakt Proces-Verbaal van den zaalopziener Kloppenburg en wel aan het verkoopen en schenden van Koloniale Kleedingstukken.

4. En eindelijk van den zaalopziener Muller opgemaakt tegen de bedelaars Kolonist Jan de Perro hebbende zich schuldig gemaakt aan desertie voor de eerste maal, zulks strijdig zijnde tegen Artikel 11 van het Reglement, zoo wordt dezelve voor de Raad gebragt.

De beschuldigden gevraagd zijnde op de Processen-verbaal overeenkomstig de waarheid zijn opgemaakt, hebben zij zulks bevestigend beantwoord.

De Raad gaat over tot het vonnissen van bovengemelde personen overeenkomstig het Reglement waarop de aangeklaagden worden gelast zich buiten het vertrek te begeven.

Na enige deliberatien hieromtrent hebben gehouden, wordt besloten de vonnissen te wijzigen als volgt:

De bedelaars Koloniste Johanna van Straaten tien dagen Provoost om den anderen dag te water en te brood en in Boeijen gesloten.

Elizabeth Metten vijf dagen Provoost arrest.

Hendrina van Oers als zijnde haar medeplichtige door een hemd te hebben gekocht almede vijf dagen Provoost arrest.

Jannetje Teleijn 10 dagen Provoost arrest, de eerste en laatste met Boeijen aan.

Jan de Perro acht dagen Provoost arrest, twee dagen te water en te brood en Boeijen aan.

Waarna de gevonnisden wederom zijn binnengelaten en hun de door voormelde Raad besloten vonnissen zijn voorgelezen en ter executie gebracht.

Na omvraag door den President, niets meer te verhandelen zijnde, zoo wordt de Raad bij deze gehouden voor geëindigd.

Aldus opgemaakt ten jare en dage voorschreven,
De President en verdere leden
Ads de Geus
L. NBandering
J. Kluver
J. D. Unverzagt
Klaver
Krieger, secretaris

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag