Bedelaars bij het derde gesticht Veenhuizen

Vergadering van den Raad van Tucht aan het 3e Etablissement binnen op den 10 Julij 1832


De Leeden zijn allen tegenwoordig.

De Vergadering wordt geopend ten 7 Uren ’s avonds.

De Raad neemt voor de tegen de Vrouw van de zich thans in Schutterlijke dienst bevindende Bedelaars Kolonist P. Wilder, ingekomen klagten van zonder permissie de Kolonie te hebben verlaten, en zich begeven naar Woudrichem.

De beschuldigde wordt binnen geroepen.

De President ondervraagt vrouw Wilder: hebt gij zonder permissie dit Gesticht verlaten? en waar zijt gij heen geweest?-

Beschuldigde: Ja Mijnheer ik ben naar mijn man geweest die te Woudrichem ziek lag en mij twee brieven had geschreven om over te komen.-

President: Gij zijt wel eene maand weg geweest en hebt gij  U ook nog ergens anders dan te Woudrichem opgehouden?-

Beschuldigde: Ja, te Leeuwarden om berigten in te winnen van de nalatenschap mijner broeder welke aldaar was overleden.-

President: Had gij ook plan om langer of in het geheel weg te blijven?-

Beschuldigde: Zij geeft een ontkennend antwoord en schijnt berouw te gevoelen over haar misdrijf.-

De beschuldigde wordt buiten gelaten.

De President neemt het Reglement van Tucht voor de Gestichten van Bedelaars en maakt de Raad bekend met art. 11 toepasselijk op dit misdrijf, luidende:
“Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeyen gedurende veertien dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor tien dagen lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen  en in de disciplinezaal worden geplaatst.”

De Raad overweegd dat er geene redenen bestaan om de beschuldigde eene mindere straf op te leggen dan 10 dagen provoost arrest om den anderen dag boeijen aan, en de twee eerste en laatste dagen op water & brood.

De beschuldigde wordt andermaal binnen geroepen.

De President maakt de beschuldigde bekend met het geen de Raad ten haren aanzien heeft besloten, waarna zij met zigtbare aandoening vertrekt.

De President sluit de Vergadering.
Aldus gearresteerd op dag, maand & Jaar als boven
De President en Leeden
S. B. Drijber
C. Hulst
L. NBandering
Coens
Blanken
Haarman, secretaris bij de Raad

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622

Notities bij het zittingsverslag