Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

De Raad van Tucht belegd op heden den 25e September 1800 twee en dertig door den heer Adjunct-Directeur A. de Geus als President


Zijn gecompareerd des avonds te zes uren de navolgende Leden:
De President voornoemd
De Onderdirecteur J.F. Krieger
De zaalopzieners Muller en Unverzigt

De President verklaart de vergadering voor geopend. Wordt aan den Raad voorgelegd een Proces-verbaal van den zaalopziener A.B. Schaghen inhoudende aanklacht tegen de Bedelaars Koloniste M. van den Broek hebbende zich schuldig gemaakt aan het verkoopen van een voerlaken rok, en zulks verkogt aan haar mede Koloniste E. Gabriel en daar zulks strijdig is tegen Artikel 13 van het Tuchtreglement alhier in gebruik zoo word zij dientengevolge voor den Raad gebracht.

Bovengemelde Proces-verbaal aan haar zijnde voorgelezen, wordt haar gevraagd of zulks overeenkomstig de waarheid is, hetwelk zij heeft erkend en wel door hetzelve te hebben verkogt aan E. Gabriel hierboven vermeld.

Deze zulks almede bekennende een Rok te hebben gekocht van voornoemde M. van den Broek, zoo wordt de misdaad volkomen bewezen.

Gezien Artikel 13 ontvreemding of verpanding van Koloniale Goederen of van mede Kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen, naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting in boeijen, de drie eerste en de drie laatste te water en brood.

Overwegende dat de Bedelaars Kolonisten M.van den Broek en E. Gabriel zich hebben schuldig gemaakt aan het verkoopen en koopen van Koloniale Kleedingstukken, zoo worden zij ingevolge bovengemeld Artikel van het Tuchtreglement door de Raad gestraft met 8 dagen Provoost arrest,om den anderen dag te water en te brood en gesloten in boeijen.

Aldus opgemaakt ten dage en jare voornoemd,
Ads de Geus
Krieger
Muller
Unverzagt.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag