Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

De Raad van Tucht belegd op heden de 12 december 1800 twee en dertig door den Heer Adjunct-Directeur A. de Geus als President


Zijnde gecompareerd des avonds te zes uren de navolgende Leden:
De President voornoemd
De onderdirecteur J.F. Krieger
De zaalopziener Muller
De zaalopziener Unverzagt

De President verklaard de vergadering voor geopend.

Wordt ter tafel gebragt een missive van den Heer Adjunct-Directeur J. Poelman in dato 11 dezer no.277 B met inzending van een Proces-Verbaal van het verhandelde bij de Raad van Tucht voor wezen, vondelingen enzovoort, aan dat Gesticht op den 8e dezer maand gehouden, inhoudende aanklagt tegen den veldwagter Hoeboer als oorzaak zijnde dat eenige wezen van meergemeld Gesticht zich heimelijk van hunne werkzaamheden verwijderen, door bij hem als dan Bokking, Beuling enzovoort welk veelal oud of bedorven was te koopen.

Dientengevolge heeft de Raad meergemelde veldwagter Hoeboer voor zich doen komen en hem het verkeerde en schadelijke daarvan ernstig onder het oog gebragt, en hem daarbij tevens aangemaand zich voor het vervolg daarvoor te waren teneinde aan geen verdere onaangenaamheden of straffen blootgesteld te worden.

Waarop hij de Raad de verzekering heeft gegeven dat dit bij hem niet meer zoude plaatshebben en er zich wel voor wachten zal.

De Raad heeft alzoo gemeend de zaak voor deeze keer als voor het eerst voorgevallen zijnde bij deze correctie te moeten laten berusten en indewijl er niets meer ter verhandeling voorgedragen werd is de vergadering gehouden voor geëindigd.

Aldus opgemaakt ten dage en jare voorschreven,
Ads de Geus
Krieger
Muller
Unverzagt

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag