Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Den Raad van Tucht belegd op heden den 27 ste Julij 1833 door den Heer Adjunkt Direkteur Ad. den Geus, als President


Zijn gecompareerd des avonds ten 6 ½ Uur de navolgende Leden
De President voornoemd
De Onder Direkteur J. F. Krieger
De Zaalopzieners Klaver en Kloppenburg.
Afwezig de Onder Direkteur L. Neyenbandering.

De Raad geopend zijnde, wordt voorgelezen een Proces Verbaal van den Zaalopziener Schagen, ten lasten de Bedelaars Kolonisten M.W. Wittenberg, wegens verkoop van haare Koloniale Kleeding Stukken, bestaande in een Hembd, Een paar Schoenen, Een paar Kousen, en een Boezelaar, en wel aan S. Pruiksma, G. Heijmans en eerstgemelde wederom het Hembd aan J.M. Klansing.

De aangeklaagde binnen gelaten zijnde en het Proces Verbaal hebbende hooren voorleezen, heeft zij dadelijk bekend aan deze misdaad schuldig te zijn.

Daarna gehoord de Bedelaars Kolonisten S. Pruiksma, G. Heijmans en J.M. Klansing als Koopsters.

Steyntje Pruiksma bekend van haar gekocht te hebben een Hembd, alsmede te hebben medegewerkt aan de verkoop van haar Schoenen.

Grietje Heijmans bekend gekocht te hebben een Boezelaar en

J.M. Klansing bekend het hembd wederom gekocht te hebben van S. Pruiksma, en het zelve te hebben gezonden naar Amsterdam, naar een haarer Kennissen, door middel van een Kolonist welke met ontslag is gegaan.

De Raad doet bovengemelde Bedelaars Kolonisten buiten gaan.


Vervolgens wordt voorgelezen een Proces Verbaal, inhoudende aanklagt door den Zaalopziener Buck ten lasten de Bedelaars Koloniste A. Houvast hebbende zich schuldig gemaakt aan brutaliteit tegen de Kinder Moeder L. van den Hooff.

Na dat bovenstaande Bedelaars Koloniste, A. Houvast, zulks had aangehoord, heeft zij bekend, zich aan die brutaliteit en gedane scheldwoorden te hebben schuldig gemaakt.


Na dat de Raad deze Bedelaars Koloniste almede heeft doen buiten gaan, is zij in overweging gekomen aangaande de aan hun op te leggen straffen en daaromtrend inzage genomen van het Reglement van Tucht.

Gezien Artikels 13 en 14 luidende als volgt, Art .13 “ Ontvreemding of verpanding van Koloniale Goederen, of van mede Kolonisten, zal worden gestraft met opsluiting in boeyen van drie tot veertien dagen, naar gelang de omstandigheden des noods te Water en Brood, om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting in boeyen, de drie eerste en de drie laatste te Water en Brood.”

Art.14 “Belediging van mede Kolonisten voor (of met?) Woorden, zal met Verplaatsing in de Discipline Zaal en bij verzwaarende omstandigheden, met opsluiting van drie tot veertien dagen worden gestraft, en met daden , met opsluiting van drie tot veertiend dagen, des nachts met boeyen.

Naar aanleyding van die Artikels en overwegende dat in het geval de Koopers zich even zoo schuldig hebben gemaakt als de Verkoopster, zo worden de navolgende straffen op hun lieden van toepassing gemaakt, als

Steyntje Pruiksma, Tien dagen Provoost arrest en om den anderen dag Water en Brood.

Maria Wilhelmina Wittenberg, Acht dagen Provoost arrest, om den anderen dag te Water en te Brood en gesloten in boeyen.

Grietje Heymans, Zes dagen Provoost arrest

J.M. Klansing, welke tot nu toe eenige vrijheid genoot, om twee maal s’weeks buiten het Gesticht bij haaren Neef Een Veteraan de Liefdes te gaan, Zoo wordt haar deze vrijheid ontzegd, voor den tijd van drie maanden.-
de Raad heeft tot eene dergelijke straf, omtrent haar moeten overgaan, uit hoofde zij hoog van jaaren is, en gedurig met overvallen is aangehaald, en daardoor niet in staat de straf van opsluiting uit te houden.

Alida Houvast, twee dagen Provoost arrest.

De voornoemde Bedelaars Kolonisten worden binnen gelaten, hunne vonnissen voorgelezen, en de Raad hiermede geeindigd.

Aldus opgemaakt op bovenstaande datum
Ads den Geus
J.F. Krieger secr.
D. Klaver
Cloppenburg

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag