Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Zitting van den 23 February 1840


Tegenwoordig zijn:
J. Kluvers, Adjunct Directeur President
Leden:
A.B. Schaghen, J.M. Muller, Zaalopzieners
A.B. Ente, secretaris

Wordende  den Onder Directeur Neyenbandering door diens ?? verhindert deze zitting bij te wonen.

Wordt gelezen Proces verbaal van den Zaalopziener P.J. Visser houdende Klagte tegen de Bedelaars Kolonisten A. Cohen Rodriges N127 en S.P. de Jong N11 welke zich hadden schuldig gemaakt de tweede aan verregaande brutaliteit tegen den Israëlitischen Leeraar bij het uitgaan der Kerk en den eerste den veldwachter die aan gezegde kerk geplaatst was ter bewaring van de goede orde.

Vervolgens, Proces verbaal van den Zaalopziener G. de Waal opgemaakt tegen de Kolonisten H. van Trigt N2673, P. Petrie N2860  en J. Nab N1397 welke zich hadden schuldig gemaakt, de eerste aan het verkoopen van zijn boezeroen; de tweede van een zijner hemden de laatst genoemden mede aan zijn boezeroen.

De beschuldigden worden een voor een binnen gebragt en de tegen hun opgemaakte bezwaren voorgelezen.
De Kolonisten Cohen, Rodrigus en de Jong voor hunne ongeoorloofde handeling onderhoudende, waartegen door hun eenige niet onaannemelijkheden en ?? redenen  worden ingebragt, hun tevens vermanende zij lieden zich voor het vervolg serieuzelijk moeten wachten van dusdanige verkeerdheden, waarna zij aftreden.

De drie overige, vervolgens onderhouden, die wegens het verkoopen van hun Kleeding, bekenden onmiddellijk hun misdrijf en beloofden in het vervolg zich daarvoor te zullen wachten.

Men doet hun buiten staan om over de strafbepalingen te kunnen handelen.

Gelet op de ingebragte redenen en in overweging nemende dat Art. 9 op de Kolonisten de Jong en Rodrigus  en Art 13 op de drie overige behooren te worden toegepast, en dezelve luiden als volgt

Art 9: “Alle ongehoorzaamheid jegens Koloniale Ambtenaren zal met verplaatsing in de Discipline Zaal van drie tot tien dagen worden gestraft en indien dezelve met Brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor den zelfden tijd in de Provoost.”

Art. 13: “Ontvreemding, verwaarloozing, beschadiging of verpanding van goederen aan de Maatschappij, aan Ambtenaren, aan mede Kolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande uit hun tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting in boeyen van drie tot veertien dagen, naar gelang der omstandigheden des noods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting in boeyen, de drie eerste en drie laatste dagen te water en brood.”

In aanmerking nemende dat de Kolonisten de Jong en Cohen Rodrigus wegens hunne brutaliteit behooren te worden gecorrigeerd,

In aanmerking nemende dat de Kolonisten van Trigt, Petrie en Nab wegens het verkoopen van hunne Kleeding, in gevolge het Reglement behooren te worden gestraft, de straf in art. 13 voormeld op hun toe te passen.

De Raad veroordeeld de Kolonisten de Jong en Rodrigus met de straf van drie dagen Provoost Arrest en de Kolonisten van Trigt, Petrie en Nab met acht dagen provoost arrest, in boeyen, benevens dubbele vergoeding van de door hun verkochte kleeding uit hun tegoed bij de  Maatschappij.

Men laat hun weder binnen staan en de voor hun bepaalde straf ingevolge het Reglement voorlezen, waar na zij aftreden aan de zaalopzieners onder wiens onmiddellijke opzigt zij behooren, worden gelast hun straffen ter executie te brengen.

Aldus gedaan op plaats, dag, maand en Jaar als voren

Was get.
J. Kluvers, Adj Dir, Pres.
A.B. Schaghen
J.M. Muller   
A.B. Ente, Onderdir., secretaries

Voor Extract Conform
De secretaries A.B. Ente
 

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag