Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Raad van Politie en Tucht voor Bedelaars Kolonisten gehouden te Veenhuizen den 11 Mei 1840


Tegenwoordig zijn:
C. Hulst Adjunct Directeur a.i. President
Gustavus, zaalopziener
Hartman, zaalopziener
A.B. Ente Onderdirecteur Secretaris

wordende den Onderdirecteur Nijenbandering door dienstbezigheden verhinderd den Raad bijtewonen.

Wordt ter tafel gebragt Proces Verbaal van den zaalopziener G. de Waal houdende klagte tegen den Bedelaarskolonist Dirk Volmers, als hebbende zich omwaardig gedragen van met het eten te werpen, en hetzelve voor zwijnen-eten uit te schelden.

Daar zulks geschiedde in tegenwoordigheid van genoemden zaalopziener vermaande deze hem, om op dusdanige wijze niet met zijn voedsel te spotten.

Geene vermaningen waren echter in dit oogenblik voor hem vatbaar, waarom den zaalopziener zich met genoemden jongeling begaf naar den Onderdirecteur, welke na dit gehoort te hebben hem scherpe verwijtingen over zijn gedragingen deed.

Niettegenstaande dit alles gedroeg hij zich hardnekkig waarop genoemde zaalopziener last ontving hem voorlopig in arrest te houden.

Onder het in arrest brengen liep hij van de zaalopziener weg naar de zaal.

Op nieuw last ontvangen hebbende hem daaruit te halen, ging de zaalopziener vergezeld van eenen veldwachter tot dit einde derwaarts, doch daar gekomen zijnde, stelde zich den kolonist Hermanus van Duin aan het hoofd van eenige medekolonisten, zeggende: dat zij D. Volmers niet in arrest lieten nemen;

waarop de zaalopziener de veldwachter naar de Onderdirecteur zond, om hiervan berigt te geven;

genoemde veldwachter verhaalde het gebeurde aan den opziener der gebouwen, welke dit aan anderen wederom verhaalde en het alzoo zeer spoedig ter ooren kwam van den Inspecteur der Kolonien.

Deze begaf zich onverwijld naar de zaal, voor en aleer de onderdirecteur zich derwaarts konde begeven, haalde genoemde D Volmes uit dezelve, gaf last, om hem toen in arrest te nemen, en is dan ook te gelijkertijd gearresteerd geworden.

Bijgeschreven in de kantlijn door een lid van de permanente commissie: De Inspectr kreeg hier van berigt na dat dit reeds aan den Dir der Kol, den adj dir en onder dir en andere hoofdambtenaren bekend was geworden

Mede proces verbaal van genoemden zaalopziener tegen den Bedelaar kolonist A. Bekker wegens desertie met medeneming van kleedingstukken.


Proces Verbaal van den zaalopziener K. Gustavus houdende klagte tegen den koloniste J. van Klaveren N3019 als zich hebbende schuldig gemaakt aan het verkopen van een baaijen rok.


De beschuldigden worden bij afwisseling voor de Raad gebragt en de tegen hen opgemaakte verbalen voorgelezen.

De President vraagt aan den kolonist D. Volmers, welke reden hem noopte om met het eten aan hem verstrekt dusdanig onredelijk te handelen, waartegen door hem geene verschoningen worden ingebragt, maar zich werkelijk gedroeg als of hij deswegens berouw gevoelde.

De President vraagt vervolgens aan H. van Duin met welke inzigten hij zich aan het hoofd stelde van eenige kolonisten, ten einde te verhinderen, dat D. Volmers naar de provoost werde gebragt, waartegen genoemde persoon niets wist intebrengen, maar met onbeschaamdheid zijn misdrijf bekende.

De President vraagt daarna aan den kolonist H. Bekker waarom hij de kolonie heimelijk had verlaten, en zelfs kleedingstukken van zijne kameraden of medekolonisten mede te nemen. Genoemde kolonist bekende zijn misdrijf en fouten en beloofde beterschap, terwijl hij zich nimmermeer dusdanig te zullen gedragen.

De President vraagt aan J. van Klaveren wat haar bewogen had om haar baaijen rok te verkoopen, die aan haar voor eerste mise was verstrekt. Zij bekende haar misdrijf met gevoel van leedwezen, en tevens onder verzekerende beloften, van zulks nimmermeer te zullen ondernemen.

Na hun alle in het bijzonder wegens hunne misdrijven onderhouden hebbende, en hen aangemaand te hebben, om zich in het vervolg niet weer aan de hen te last gelegde misstappen schuldig te maken, betoonden zij zich daarover gevoelig en hadden berouw, uitgezonderd den kolonist H. van Duin, welke zich zeer onverschillig gedroeg.

Men laat de beschuldigden thans uitgaan.

De Raad gelet op de onvolledige redenen tot verschoning ingebragt van den kolonist D. Volmers.

De Raad gelet op de onbeschaamdheid van den kolonist H. van Duin, wegens zijn wanbedrijf, waarop hij in de eerste oogenblikken zich scheen te verhoovaardigen.

De Raad gelet op de belofte van den kolonist H. Bekker en J. van Klaveren.

Overwegende dat de straffen in Art 11 op H. Bekker, Art 13 op J. van Klaveren en Art 14 op D.Volmers en van Duin behoorden te worden toegepast, en luidende als volgt:

Volgt het citeren van artikelen 11, 13 en 14: niet getranscribeerd

In aanmerking nemende de jeugdige jaren van den kolonist D. Volmer, die zoo zeer aan verleiding kan worden overgehaald.

In de kantlijn bijgeschreven door een lid van de permanente commissie: hoe oud is hij? als ik mij wel herinner was hij een volwassen persoon.

In de kantlijn bijgeschreven in ander handschrift door een ander lid van de permanente commissie: In 1821 geboren dus 19 jaar.

De Raad in aanmerking nemende dat de kolonist H. van Duin wegens zijne onbezonnen handelwijze waarover hij geen het minste gevoel van berouw betoonde ook ten strengsten beoorde te worden gestraft.

De Raad in aanmerking nemende dat den kolonisten H. Bekker en J. van Klaveren, de eerste ofschoon eenig gevoel van berouw toonende geene verschooning op hem van toepassing kan worden gemaakt, en de tweede met meer waar berouw haar gedaan misdrijf schijnt te laken, zoodat op haar de ligtste straf kan worden toegepast.

Zoo veroordeeld den Raad den kolonist D. Volmer met drie dagen provoost arrest in boeyen, den kolonist H. van Duin met 14 dagen provoost arrest in boeyen voorafgegaan met 20 rietslagen; den kolonist H. Bekker met 14 dagen provoost arrest in boeyen de drie eerste en de drie laatste dagen te water en brood, en na die ondergane straf te dragen een schandpak over den tijd van vier maanden en de koloniste J. van Staveren met 3 dagen provoost arrest in boeyen benevens de dubbelde vergoeding van het door haar verkochte kleedingstuk, uit haar tegoed bij de Maatschappij.

De Raad doet de veroordeelden een voor een voor zich verschijnen, en maakt hen met de hen opgelegde straffen bekend waarna aan de onderscheidene zaalopzieners word gelast, aan de genoemde straffen de nodige executie te geven.

Door rondvraging der President eindelijk gebleken zijnde niets meer te behandelen hebbende gaat de Raad uiteen.

Aldus opgemaakt ten plaats dag maand en jaar als boven
Was geteekend:
C. Hulst
A.B. Ente
Hartman
Gustavus

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag