Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Zitting van den 3 Januarij 1843.


Extract uit de Notulen van Bedelaarskolonisten gehouden te Veenhuizen, 2e Gesticht.

Tegenwoordig zijn:
C.W. Rensing, Adjunct-Directeur en President
G.J. Hendriks en W. Heidanus, Onderdirecteurs
Gustavus en Jansen, zaalopzieners
en Ente, boekhouder en secretaris.

Wordt ter tafel gebragt

- Proces-verbaal van den zaalopziener Schilder tegen den bedelaarskolonist J. Muijlwijk N2109 wegens ontvreemding van een doek en een vest ter waarde van vijftig cents.
 
- Proces-verbaal van den zaalopziener Menis tegen den Bedelaarskolonist W. Gerres wegens desertie voor de eerste maal.

De beschuldigden worden een voor een binnengelaten en de tegen hen ingebragte klagten voorgelezen, waartegen zij niets ter hunner verschooning hebben in te brengen, men laat hen vervolgens buitengaan om over de strafbepalingen te kunnen handelen.

In overweging nemende dat Artikel 11 van het Tuchtreglement op den Kolonist Gorres en Artikel 13 op den Kolonist Muijlwijk behoorden te worden toegepast en luidende als volgt:

Artikel 11. Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt verhinderd of ontvlugt en weder teruggebragt is, zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe, de twee eerste te water en brood worden gestraft, met medeneeming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende veertien dagen, waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf tenminste vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Artikel 13. Ontvreemding, verwaarloozing, beschadiging en verpanding van goed aan de Maatschappij, aan Ambtenaren, aan mede Kolonisten of aan iemand anders behoorende zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen, naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen opsluiting in boeijen, de drie eerste en de drie laatste te water en brood.

In overweging nemende dat op de hierin bedoelde Kolonisten onder deze omstandigheden geene verschooning kan worden toegepast, maar ingevolge het Reglement in opgemelde artikelen vervat behoorden te worden gecorrigeerd.

Zoo veroordeeld de Raad den Kolonist Muijlwijk met acht dagen Provoost in boeijen en dubbelde vergoeding van de ontvreemde kleeding,
den Kolonist W. Gerres met acht dagen Provoost, de twee eerste te water en brood en vier maanden lang te dragen eene onderscheidene kleeding.

Andermaal worden de hierin vermelde Kolonisten binnengelaten en de tegen hen bepaalde straffen voorgelezen, waarna aan de zaalopzieners wordt gelast, onder wiens onmiddellijk toezigt zij gesteld zijn, de straffen op hen toegepast ter executie te brengen.

Geene der leden iets meer ter behandeling hebbende voor te dragen, wordt de vergadering gesloten. Aldus gedaan op dag, maand en jaar als in het hoofd dezes vermeld.

Was getekend, Rensing, Hendriks, Heidema, Gustavus, Jansen en Ente

Voor extract conform, de secretaris, Ente.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1621

Notities bij het zittingsverslag