Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

zitting van den 1e februarij 1843.


Extract uit het verhandelde in de Raad van Tucht voor Bedelaars Kolonisten gehouden te Veenhuizen tweede Gesticht.

Tegenwoordig zijn:
C.W. Rensing, Adjunct-Directeur en President
C.J. Hendriks en W. Heideman, Onderdirecteurs
Visser, Van den Berg, zaalopzieners
Ente, boekhouder en secretaris.

Wordt ter tafel gebragt

- Proces-verbaal van den zaalopziener Menes tegen den Bedelaarskolonist L.J. de le Forge N3457 wegens bij herhaling verkopen van kleedingstukken als een petklep, een paar handschoenen en een paar klompen voor eene waarde van tachtig centen.

- Proces-Verbaal van den zaalopziener Schilder tegen den Bedelaarskolonist A.J. Bolte N654 wegens bij herhaling verkopen van kleeding als een manshemd voor eene waarde van een gulden vijf en twintig centen.

- Proces-Verbaal van den zaalopziener Gustavus tegen de Bedelaarskoloniste Lammers N3105 wegens het kopen van een hemd en een paar kousen ter waarde van een gulden vijf en zeventig cents en tegen de Bedelaarskoloniste D.P. Percock N4724 wegens het verkopen van een vrouwenhemd hebbende eene waarde van tachtig centen.

De beschuldigde worden een voor een binnengelaten en de tegen hun ingebragte bezwaren voorgelezen, waartegen zij niets ter hunner verschoning hebben in te brengen, men laat hun vervolgens buitengaan om over de strafbepalingen te kunnen handelen.

In overweging nemende dat Artikel 13 van het Tuchtreglement op de hierna voorkomende  Kolonisten behoorden te worden toegepast en luidende als volgt:

Artikel 13. Ontvreemding, verwaarloozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan Ambtenaren, aan medeKolonisten, of aan iemand anders behoorende zal worden gestraft met dubbelde vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen,naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood van den anderen, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting in boeijen, de drie eerste en de drie laatste te water en brood.

In overweging nemende, dat op de hierin bedoelde Kolonisten, onder deze omstandigheden, geene verschoning kan worden toegepast, maar ingevolge het Reglement vervat in opgemelde artikelen behoorden te worden gecorrigeert.
 
Zoo veroordeelt de Raad den Kolonist De le Forge en Bolle met veertien dagen Provoost in boeijen waarvan de drie eerste en de drie laatste dagen te water en brood en dubbelde vergoeding van de verkochte kleedingstukken en de Kolonisten Lammers en Percock met acht dagen Provoost en dubbelde vergoeding van de gekochte en verkochte kleeding.

De President laat andermaal de hierin genoemde Kolonisten binnenkomen en de tegen hun bepaalde straffen voorlezen, waarna aan de zaalopzieners wordt gelast,onder wiens onmiddellijke toezigt zij gesteld zijn, de straffen op hun toegepast ter executie te brengen.

De President, door rondvraging gebleken zijnd er niets meer ter behandeling overig en verklaard de zitting voor gesloten. Aldus gedaan op dag, maand en jaar als in het hoofd dezes gemeld.

Was getekend, Rensing, Hendriks, Heidema, Visser, Van den Berg en Ente, secretaris.

Voor extract conform, de secretaris, Ente.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1621

Notities bij het zittingsverslag