Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

zitting van den 7e maart 1843.


Tegenwoordig zijn:
C.W. Rensing, Adjunct-Directeur en President
G.J. Hendriks en W. Heidema, Onderdirecteurs
Schilder en Van den Berg, zaalopzieners
Ente, boekhouder en secretaris.

Wordt ter tafel gebragt

- Proces-verbaal van den zaalopziener Menes tegen den Bedelaarskolonist C. de Looijer wegens desertie voor de vierde maal.


Den beschuldigden wordt voor den Raad gebragt en de tegen hem ingebragte klagten voorgelezen, waartegen hij niets ter verschoning heeft in te brengen,men laat hem vervolgens buiten gaan om over de strafbepalingen te kunnen handelen.

In overweging nemende dat Artikel 11 van het Tuchtreglement op den Kolonist De Looijer behoorden te worden toegepast hetgeen in de zitting hiervoren is omschreven.

In overweging nemende dat op de hierin betrokkenen Kolonist onder deze omstandigheden geen verschooning kan worden toegepast, maar ingevolge het Reglement, in opgemeld Artikel vervat, behoort te worden gecorrigeert.

Zoo veroordeelt de Raad den Kolonist De Looijer met veertien dagen Provoost in boeijen waarvan de drie eerste en de drie laatste dagen te water en brood en vier maanden lang te dragen eene onderscheidene kleeding voorafgegaan met veertig rietjes slagen.

Zoo laat men andermaal den hierin gemelden Kolonist binnenkomen en de tegen hem bepaalde straffen voorlezen.

Waarna den zaalopziener wordt gelast, onder wiens onmiddellijk toezigt hij gesteld is, de straffen op hem toegepast ter executie te brengen.

Geene der leden iets meer ter behandeling hebbende voor te dragen wordt de vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dag, maand en jaar als in het hoofd dezes vermeld.

Was getekend, Rensing, Hendriks, Heidema, Schilder, Van den Berg, Enke , secretaris.

Voor extract conform, Enke, secretaris

BRON:

Drents Archief, toegang 0186, invnr 1621

Notities bij het zittingsverslag