Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Zitting van den 15 July 1844.


(Bevond zich in het mapje tuchtzittingen 1843)

Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Bedelaarskolonisten, gehouden te Veenhuizen, 2e Gesticht.

Tegenwoordig zijn;
C.W. Rensing, Adjunct-Directeur en President
G.J. Hendriks en W. Heidema, Onderdirecteurs
Jansen en Lammerink, zaalopzieners
Ente, boekhouder en secretaris.

Wordt ter tafel gebragt

- eene klagt van den zaalopziener Nijman tegen den Bedelaarskolonist M. van Os, N1345 wegens verkopen van een hemd bij herhaling.

- eene klachte van den zaalopziener Schilder tegen den Bedelaarskolonist H. Wenings N109 wegens dronkenschap voor de eerste maal.

De beschuldigden worden een voor een binnengelaten, en de tegen hen ingebragte klagte kenbaar gemaakt, waartegen zij niets voldoende ter hunner verschoning hebben in te brengen.

Men laat hen vervolgens buitengaan om over de strafbepalingen te kunnen handelen.

Gezien Artikelen 10 en 13 van het Reglemenet van Tucht voor Bedelaarskolonisten op hun toepasselijk als Artikel 10 op den Kolonist Wenings en Artikel 13 op den Kolonist M. van Os, luidende als volgt:
Artikel 10: “Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen en voor de tweede met opsluiting in boeijen tot 10 dagen toe worden gestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden, alsook eenvoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe te water en brood om den anderen dag”.
Artikel 13: “Ontvreemding, verwaarloozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan Ambtenaren, aan mede Kolonisten of aan iemand anders behorende, zal worden gestraft met dubbelde vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande, uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting in boeijen de drie eerste en de drie laatste te water en brood”.

Gehoord de gezamenlijke leeden van de Raad, ieder in het bijzonder, wordt besloten: de Kolonist Wenings te straffen met opsluiting in de strafkamer voor den tijd van vijf dagen en den Kolonist M. van Os voor veertien dagen in boeijen, waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood, benevens dubbelde vergoeding van het ontvreemde of verkogte.

Men laat andermaal de beklaagde binnenkomen en maakt hun met de opgelegde straffen bekend.

Waarna aan den zaalopziener, onder wiens onmiddellijke toezicht zij gesteld zijn, wordt gelast de straffen op hun toegepast te executeren.

Geene der Leeden iets meer ter behandeling hebbende voor te leggen, wordt de vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dag, maand en jaar als in het hoofd dezen gemeld.

Was getekend; Rensing; Hendriks; Heidema; Jansen; Lammerink; Ente.

Voor extract conform, de secretaris, Ente.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1621


Notities bij het zittingsverslag