Bedelaars bij het eerste gesticht Veenhuizen

Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht voor Bedelaars Kolonisten te Veenhuizen 1e Gesticht (als weezen verpleegd)

Zitting van den 16 Junij 1848


Present
C. W. Rensing, Presidt
Leden van den Raad:  A.Textor, G. Kuipers, J. Meijer, A. v.d. Berg
J. F. Morriën, Secretaris

De Raad vergaderd zijnde, opent de President dezelve.

Wordt voorgenomen

Warner Bruins Slot, N. 2566, Bed Kol (desertie voor de 3e maal, diefstal van een kantschop aan de Maatschappij toebehoorende, verkoop derzelve aan de Smilde, en diefstal van 30 Cent Kol. munt uit de lade van den tafel bij den Kol. E. Y. de Jong, op hoeve N. 7 waar hij arbeide)

Men liet hem binnen staan om gehoord te worden.

Hij had niets ter zijner verontschuldiging in te brengen, en bekende de beide daden verrigt te hebben.

De president gebood hij af zoude treden om over zijne misdrijven te kunnen raadplegen.

Gezien Art 11 van het Reglement van tucht voor Bedelaars Kolonisten, luidende,
“ Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daar in wordt verhinderd, of ontvlugt weder terug gebragt is, zal met opsluiting in boeijen tot 10 dagen toe, de twee eerste te water en brood worden gestraft, met mede neming vaan goederen buiten de aan hebbende kleeding of onder verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal, met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede maal of volgende malen benevens eenvoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjes slagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen, na de ondergane straf ten minsten vier maanden lang, eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de discipline Zaal worden geplaatst.”

en Art 13.
“Ontvreemding, verwaarlozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan Ambtenaren aan de mede kolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpandene uit het te goed bij de Maatschappij benevens opsluiting in boeijen, van drie tot veertien dagen na gelang de omstandigheden, desnoods te water & brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen opsluiting in boeijen, de drie eerste en de drie laatste te water en brood.”

Gehoord de Leden van den Raad ieder in het bijzonder

Wordt besloten:

De hier voren aangehaalde Artikels van het Reglement van Tucht in deszelfs geheel toe te passen en mits dien den Bed. Kol. W. B. Slot, N. 2566 te straffen met opsluiting in de strafkamer voor den tijd van 14 dagen, de drie eerste en de drie laatste te water & brood, met de boeijen aan, benevens 20 Rietslagen en gedurende vier maanden eene onderscheidene kleeding te dragen.- vervolgens zijne rekening oververdiensten te belasten voor de dubbele Tarief waarde van de ontvreemde kantschop ad f 3.50 – en voor 60 Centen, wegens ontvreemde gelden, als mede met f 8.- voor betaalde premie en desertie kosten, te zamen dus met eene som van f 12.10

Aan den voornoemde Bedelaars Kolonist werdt dit vonnis bekend gemaakt.

De raad werdt gesloten.

Aldus opgemaakt op dato als boven gemeld en onderteekende door
(wgt) C. W. Rensing, President
Leden van den Raad: A. Textor, G. Kuipers, J. Meijer, A. v.d. Berg
J. F. Morriën, Secretaris

Voor Copie Conform
de Secretaris
J. F. Morriën

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1619

Notities bij het zittingsverslag