Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Zitting van den 25 November 1854


Extract uit de notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Beds Kolonisten gehouden te Veenhuizen 2e Gesticht

Tegenwoordig zijn;
J.F. Krieger, Adjunct-directeur en President
G.W. van Lemel, onderdirecteur
Kuipers, onderdirecteur
Geerts en Lamm, Zaalopzieners
Ente, boekhouder en secretaris.

 Wordt ter tafel gebragt eene klagte tegen de navolgende bedelaarskolonisten, als:

1. J. van der Heijde, N605 wegens ontvreemding van een kop aardappelen uit de menage;

2. J.B.J. Steijn, N4335 wegens desertie voor de eerste maal met verzwarende omstandigheden.
J.J. van der Leeuw N6107 wegens desertie voor de derde maal met verzwarende omstandigheden

De beschuldigden worden een voor een binnengelaten en de tegen hun ingebragte bezwaren kennelijk gemaakt, waartegen geen hunner iets voldoende ter verschooning heeft in te brengen.

Men laat hun vervolgens buitengaan om over de strafbepalingen te kunnen handelen.

Gezien Artikel 11 en 13 van her Reglement van Tucht voor Bedelaarskolonisten op hun toepasselijk als Artikel 11 op Steijn en Van der Leeuw en Artikel 13 op Van der Heijden, luidende als volgt:
Artikel 11 en 13.

Gehoord de Leden van de Raad, ieder in het bijzonder, wordt besloten:

De navolgende Bedelaarskolonisten te straffen:

Van der Heijden voor 3 dagen provoost, benevens S. Steijn voor 14 dagen in boeijen, waarvan de drie eerste en de drie laatste dagen te water en brood en na die ondergane straf te dragen een onderscheidingsbovenpak gedurende 4 achtereenvolgende maanden.

Van der Leeuw voor 14 dagen in boeijen waarvan de drie eerste en de drie laatste dagen te water en brood vooraf te gaan van 25 rietjesslagen en na die ondergane straf te dragen een onderscheidingsbovenpak gedurende 4 achtereenvolgende maanden.

De rietslagen niet op Van der Leeuw ter uitvoering brengen voor en aleer hij zich weder aan misdrijf schuldig maakt.

Men laat hun andermaal binnenkomen en maakt hun met bovengemelde strafbepalingen bekend, waarna aan de zaalopzieners onder wiens onmiddellijk toezigt zij zijn gesteld, wordt gelast de straffen op hun toegepast te executeren.

Geene der leden iets meer ter behandeling hebbende voor te dragen wordt de vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dag,maand en jaar als boven vermeld en door de gezamentlijke leden ondertekend.

Was getekend: J.F. Krieger; G.W.  van Lemel; Kuipers; Geerts; Lamm; Ente.

Voor copie conform, Ente secretaris.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 19 december 1854 N3, invnr 794

Notities bij het zittingsverslag