Veteranen bij het derde gesticht Veenhuizen

Raad van Tucht van den 10 December 1829


Art 1
De Leeden van den Raad zijn allen tegenwoordig uitgenomen den Kapitein Kommandant der veteranen, den Weled. Gestr. Heer J. Thonhauser, welke als aanklager in dezen niet als Lid van den Raad voor dit maal heeft zitting kunnen nemen.

Art 2
De Raad wordt door den Secretaris voorgelezen eene missive van den Kapitein Kommandant der Veteranen, den Weled. Gestr. Heer J. Thonhauser, houdende aanklagte tegen de veteranen Broekmeijer, Loesberg en Schoenmaker en zijnde van den volgende inhoud:

“Doordien de Veteranen aan het 3e Etablissement onwillig waren wie van hun naar het 2e Etabliss. Zouden verhuizen, ook weigeren om te loten, zoo heb ik gister voor de onwilligen door den Onder Adjudant het lot laten trekken, voor die genen, welke weigeren zulks zelf te verrigten; -
doordien het bij die loting zeer oproerig en onbetamelijk is toegegaan, waarvan ik dadelijk zijne K: H: zal kennis geven; -
 zoo acht ik mij verpligt Uw Ed: te verzoeken om de veteranen Loesberg, Schoenmaker en Broekmeijer voor den Raad van Policie en Tucht te vorderen, en hun aftevragen welke grieven zij tegen mij in te brengen hebben, en alsdien hunne Klagten en bezwaren brengen ter plaatse waar het behoord.-

Loesberg en Schoenmaker verweten mij dan het mijn pligt was voor hun te zorgen, vragende of ik dit dan niet deed en waarin en waarvoor ik dan verders moest zorgen?
hun andwoord was voor behore woningen, want dat die niet waren gelijk het behoorde, alsook dat ik moest zorgen dat zij werk kregen en alles zoo als hun bij de Kompagnien was voorgelezen; -
dat ik aan hun geene andere woningen kan bezorgen dat ik ook geen meester ben , hun andere kleeren en ander huisraad te verschaffen is Uw Edele bekent.-

Broekmeijer verweet mij ene en andere, dat hij niet anders dan oud en onbruikbaar huisraad had bekomen, dat hij dus verlangde dat ik dadelijk zorgde dat hij andere kreeg, dat hij hij zulks wilde en begeerde; -
het is mij bekend, dat hij twee oude spinnewielen heeft gekregen en hierover rusie met zijn vrouw heeft gehad, ik heb destijds gezegd dat hij die  verruilen moest.-

Loesberg heeft het lot getroffen van te moeten verhuizen, deeze echter weigerd niet alleen maar doet zelve dreigementen; –
aan allen welke weigeren herwaards te verhuizen zal ik aan het 3e Etablissement geene vaste verstrekking doen uitbetalen, en verzoek UWelEd aan hun het fabriek werk te weigeren: -
de vrijwilligers zal ik UWelEdele nader doen kennen.-,
Ten einde die Zaak zoo onpartijdig mogelijk gehouden wordt verzoek ik van dien raad verschoond te worden”

Art 3
De Raad hoort de aangeklaagden in hunne defensie en wel:

1e Broekmeijer, welke verklaard dat hem bij de Kompagnie is voorgelezen, dat hem nieuwe goederen zouden verstrekt worden, en dat hij ouden had ontvangen, welke hem voor neiuwen waren aangeschreven, zegt, overigens den Kapitein Thonhauser niets onbetamelijks te hebben toegevoegd.

2e Loesberg, welke getuigd den Heer Thonhauser niets onbetamelijks te hebben gezegd, geeft verders te kennen dat de hem door den Heer Thonhauser ten laste gelegde dreigementen, niets anders geweest zijn dan dat hij andere Veteranen gedreigd had, indien zij zich durfden verstouten eenig stuk goed uit zijn huis te nemen.-

3e Schoenmakers, wien te kennen geeft, dat hem een maal eene woning voor goed is aangewezen, en ongaarne telkens verhuisen, te meer nu, daar hij zegt veel slegter woning te zullen krijgen, dat hij tot zijne verbetering gaarne, maar tot verergering  van zijne omstandigheid niet,  verkiest te vertrekken, dat hij overigens op de Klagte omtrent de verzugting “dat de Kapitein niet voor hem zorgde” moet antwoorden, “dat de Kapitein in eenig opzigt wel doch in andere opzigten ook niet voor hem zorgde.”

Art 4
De Raad hoort almede den Onder Kapitein Bühler welke met de surveillance der Veteranen Huisgezinnen aan het 3e Gesticht onder de orders van den Kapitein Kommandant Thonhauser is belast;
en wie getuige, als, daarbij tegenwoordig, geweest zijnde, dat de beklaagden zich werkelijk zodanig hebben gedragen als den WelEdGestr Heer Thonhauser in deszelfs missive in dezen geïnsereerd, opgeeft.-

Art 5
De Raad neemt in aanmerking dat  het door Broekmeijer aangevoerde in geene deele bij de meergenoemde Loting konde te pas gebragt worden, waarom zij hem te kennen geeft, dat hij deez zijne bezwaren bij den Onder Directeur binnen of Adjunkt Directeur van het Gesticht moet inbrengen, zullende hem als dan daaromtrent regt wedervaren.

Art 6
De Raad overweegt het gehouden gedrag van de beklaagden tegen hunnen Kommandant, bij gelegenheid van de Loting voor de verhuizing naar het 2e Gesticht.-

Art 7
De Raad kent de beklaagden in dezen schuldig aan weigering van Gehoorzaamheid, van Onbescheidenheid jegens of met dadelijk verzet tegen een der koloniale ambtenaren V onderdeel van art 2 van het Reglement

Art 8
Gezien toepassing op het 1e Onderdeel van art 2 van het reglement van Tucht, den 8 Julij 1829 voor arbeiders Huisgezinnen & Veteranen gearresteerd en luidende als volgt:
Opsluiting van drie tot acht dagen in de trafkamer naar gelang der omstandigheden, van hem die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder Letter a tot c vermeld heeft schuldig gemaakt.-

Art 9
De Raad verwijst de Veteranen Loesberg, Schoenmaker en Broekmeijer ieder tot ene opsluiting in de strafkamer voor den tijd van drie dagen.

Den WelEdelGestrengen Heer Thonhauser kapitein kommandant der veteranen wordt door den Raad geconvoceerd dit vonnis te willen doen executeren.

Aldus gearresteerd op dato als boven
De President en Leden
A. de Geus
L. Nijenbandering
Blanken
C. Coens

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622

Notities bij het zittingsverslag