Veteranen bij het tweede gesticht Veenhuizen

Extract uit het Register van de gehouden Raad van Tucht voor Veteranen Huisgezinnen den 17e January 1832


De Raad van Tucht belegd op heden den zeventienden January des Jaars 1800 twee en dertig door den Wel Edele Heer Adjunkt-Direkteur A. de Geus als President.

Aanwezig de President voornoemd, de WEDG. Heer Kapitein Thonhauser, den Heer Onderdirekteur buiten L. Nijenbandering, de Sergt. Majoor Muller en de Sergeant Rosenthal.

De President verklaart de Vergadering van de Raad van Tucht voor geopend te zijn.

Wordt aan de Raad van Tucht door den Adjunct-Direkteur A. de Geus als aanklager voorgelegd Proces-verbaal ten laste van de Weduwe van der Mise behoorende tot de Veteranen Huisgezinnen opgemaakt kragtens art: 6 van het Reglement van Tucht.

Is gecompareeerd de aangeklaagde Weduwe van der Mise aan wie is voorgelezen het Proces-Verbaal ten haren laste als boven vermeld; hiernevens onder sub.La A gevoegd.

Vrouw van der Mise heeft hierop te kennen gegeven dat zij onder geen surveillerend oog naar het Binnengesticht wilde gaan om het fabriekswerk aftehalen, dat volgens bestaande order door den Fabriekbaas aldaar wordt uitgegeven.

De Raad, gehoord de navolgende getuigen als:

Catharina Muller

Johan Paulus Reichenbacht

Louisa Charlotte Sofia Boekhout

verklaren dat Vrouw van der Mise zich werkelijk zoodanig heeft gedragen als in het Proces-Verbaal door den Adjunkt-Direkteur de Geus is omscheven; waardoor die Ambtenaar ten hoogsten en op de aller infaamsten wijze wordt beleedigd geacht,

en tevens verklaren, dat een langer verblijf van zoodanig een ondankbare vrouw in de Kolonie Veenhuizen de aller meeste ongeregeldheden bij de bevolking van het gantsche gesticht na zig sleepen zoude.

De Raad overwegende dat de Direktie bij het Gesticht evenwel de noodzakelijkheid moet inzien, haar om redenen in het Proces-Verbaal zeer naauwkeurig te moeten laten gadeslaan, om hare pogingen die de aller onordelijke gevolgen bij de bedelaarsbevolking zoude zich slepen te verijdelen.

De Raad vrouw van der Mise hebbende voorgelezen art. 22 van het Tucht Reglement, zoowel als Art. 1 bij ampliatie op gezegd Reglement, toegepast bij Resolutie van de Permanente Kommissie dd. 22 September 1829 N1.

Gezien Art. 2 van gezegde Reglementen enz. waarbij Vrouw van der Mise onder Lett.a. en b. zich schuldig gemaakt heeft aan onbescheidenheid schelden enz. en als rust verstoorende is te werk gegaan, en vervolgens zich in tegenwoordigheid van den Raad die haar de gevolgen van zoodanig gedrag voor behoudende niet anders dan de allernadeeligste gevolgen voor haar na zich zoude kunnen sleepen, heeft zij echter niet willen ophouden in haar ongehoord gedrag;

volstrekt voor geene redenen vatbaar zijnde, maar zich op alle mogelijke wijze tegen de order willende verzetten, en alzoo moet aangemerkt worden als eene vrouw die gedurende haar langer verblijf in de kolonie, de oorzaaken van zeer vele onheilen wezen zoude,

zoodat de Raad van Tucht hoe ongaarne heeft moeten oordeelen zij vrouwe van der Mise niet langer waardig te wezen, die gelukkige verzorging die Zijne Majesteit, onze geeerbiedigde Koning aan veteranen Weduwe bij de Koloniale inrigting heeft mogen verzekeren, aangezien zij vrouw van der Mise het voorwerp is van onrust te stichten en zich aanhoudend tegen de bepalingen der Koloniale Reglementen blijft verzetten.

Zooals onder anderen de Raad ook hier in aanmerking neemt, dat aan haar als Weduwe buitengewone Fabrijkarbeid zoo veel mogelijk is verzekerd, mits zij den arbeid daarvan zelve zoude verrigten; heeft zij zich daaraan ook niet gehouden, maar onderscheidene malen dien arbeid gedeeltelijk door andere Kolonisten doen verrigten, uit welken hoofde de Direktie omtrent het geven van Fabriekarbeid wederom heeft moeten bekorten; en zij ook bij het onderhavig voorregt genietende het verkopen van sterken drank aan Kolonisten niet heeft nagelaten.

De Raad alzoo overweegende de voorziene gevallen met vrouw van der Mise;dat de straffen in de kolonie op haar een vrugtelooze uitoefening zoude teweegbrengen aangezien zij voor redenen onvatbaar wil zijn; en in staat is, het grootste oproer te stichten.

Zoo achte de Raad, dat op haar alleen met vrucht zoude kunnen worden toegepast artikel 23 van meergemeld Reglement; mitsdien tot voorbeeld van andere Veteranen Huisgezinnen wordende voor gedragen, tot ontslag uit de Kolonien, en zulks mede naar aanleiding van Artikel 25 van het kontrakt met het gouvernement, waardoor zij dan de ongelukkige gevolgen tot straf zal moeten ondervinden.

De Raad van Tucht eindigt met de verzekering dat geen andere straffen op haar toe te passen van gewenschte gevolgen zullen zijn.

Dat wij ons van zoodanig ontslag met de meesten spoed op haar mag worden toegepast is tevens de noodzakelijkste maatregel teneinde aan verdere onrust waartoe zij zich vlijtig aan ?? te mogen zien.

Verder aan de Raad niets meer ter verhandeling wordende voor gedragen, zoo verklaart de President dezelve voor gesloten.

Aldus opgemaakt ten daage,maand en jaar als boven.
De President en Leden
Ads de Geus
J. Thonhäuser
L. Nijenbandering
Muller
A. Rosenthal
J F Krieger, secretaris


Bijlage: Proces verbaal door adjunct-directeur De Geus


Proces-verbaal

Op heden den zeventienden January des Jaars 1800 twee en dertig, in het 2e Gesticht in mijn Bureau gewaarworden zijnde, dat er een ongehoord geschreeuw, gepaard met schelden, de nieuwsgierigheid van vele Kolonisten tot zich trok, welke voor het Gesticht aanwezig waren en een stoornis was van die goede orde, welke ingevolge het bestaande Reglement van Tucht geen plaats mag vinden, heb ik mij in ??  naar buiten begeven en vernam dat de Weduwe van den Veteraan van der Mise bezig was een veldwachter die de wacht aan de Poort had, met name Rulach, op eene allerinfaamste wijze te schelden, met alle gebaren die van een razend boos en kwaadaardig wijf immer konde verwacht worden, en alleen om redenen dat zij, vrouw van der Mise, sedert geruime tijd, in verdenking stond met een der bedelaars Kolonisten in verstandhouding te staan, eenige onbehoorlijke en tegen de maatschappelijke orde strijdende conversatien trachten te maken;

zoo als men vermoedde, de verkoop van jenever ten doel hebbende, aan Kolonisten bedelaars binnen het Gestigt te doen brengen en daartoe de bedelaarskolonist met name van der Wal tot handlanger tracht te bezigen; de ondergetekende zich, tot voorkoming daarvan, de handelswijze der genoemde vrouw op alle mogelijke wijze trachte te doen surveilleren, heeft zij de haat tegen alle onderhorige daartoe volgens pligt medewerkende geuit.

Vrouw van der Mise alzoo als een razende voor het Gestigt lopende, en door mij over haar gedrag onderhouden wordende, dat zij voor het Gestigt tot schande van een ieder zich niet op een beestachtige manier behoefde te gedragen en dat zij haar regt op een ordentelijke manier en niet anders zoude kunnen laten gelden.

Hierop is zij al razende voortgegaan mij toevoegende dat ik een beest was dat zij mij haate en de direktie op de infaamste wijze beleedigende en hiervan heeft de ondergetekende gemeend dit Proces van Aanklacht aan de Raad van Tucht ter beschuldiging van vrouw van der Mise te moeten voorleggen om daarop naar bevinding van zaken te oordelen en te handelen.

Aldus opgemaakt ten jare en dage voorschreven in de Kolonie Veenhuizen 2 Gestigt.
De Adjunct-Directeur, A. de Geus.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620


Notities bij het zittingsverslag