Veteranen bij het tweede gesticht Veenhuizen

Ingevolge door den Adjunct-Directeur belegden Raad van Tucht, op heden den 12 Maart 1832


Zijn des nademiddags te 5 uren gecompareerd de navolgende Leden:

De Adjunct-Direkteur A. de Geus, President
De kapitein Thonhauser
De Onderdirecteur L. Nijenbandering
De sergeant-majoor Muller
De sergeant Rozenthal

De President maakt de Raad bekend, dat bij hem is ingekomen klagten door den wijkmeester Hagendoorn, beschuldigende de sergeant de Klerk dat hij hem had uitgemaakt voor een dief der Maatschappij, daartegen heeft de wijkmeester Hagendoorn hem het verwijt gedaan dat hij het nodig bewijs van dat verwijt zoude komen te vorderen en dat hij daarbij zoude bewijzen dat de Klerk een dief was.

Voor de Raad verschenen Hagendoorn, aan wie genoemde klagten voorgelegen zijnde, heeft verklaard zich daaraan te houden.

De Klerk daarna voor de Raad gebragt verklaart het verwijt aan Hagendoorn gedaan te hebben op grond, dat hij gezien zoude hebben dat Hagendoorn aardappelen en wortelen uit de ingekuilde van de Maatschappij genomen zoude hebben, doch daarvoor geene getuigen heeft kunnen produceren, terwijl de Klerk aan Hagendoorn almeede in den Raad heeft verweten, dat hij voor twee jaren bij het halen van winkelwaren aan de Norgervaart, een ton haring zoude geopend hebben, en daaruit eenige aan de arbeiders gelangd hebben, echter ook zonder getuigen bewijzen.

De wijkmeester Hagendoorn verklaart dat de Klerk nu reeds twee jaren geleden met de veteraan Elbers zich zoude schuldig gemaakt aan ontvreemding van erwten uit zakken der Maatschappij die bij Roomer aan de Norgervaart in de schuur waren opgeslagen.

De Klerk verdedigd door te zeggen dat die erwten niet uit de zakken genomen waren, maar dat die weinige, die zij hadden medegenomen, erwten waren die gestort waren uit een gebrekkigen zak.

De veteraan Broekmeijer wordt door Hagendoorn voorgesteld als getuige, en verklaart dat de Klerk en Elbers aan hem zijden dat die erwten door hun waren medegenomen zij door Hagendoorn waren geattrapeert.

Hagendoorn verklaart tijdens van dat voorgevallene aan zijn superieur te hebben kennis gegeven, waaraan echter geen gevolg is gegeven.

De Raad, overwegende de aanklagten in verband met derzelven verandering en als niet te behooren tot de bevoegdheid van dezen Raad van Tucht verwijst alzoo de aanklager en aangeklaagde hun recht in de onderhavige gevallen bij de gewone rechter trachten te onderzoeken.

Aldus opgemaakt ten dage en Jare bovenvermeld.
Ads de Geus
J. Thonhäuser
A. Rosenthal
L. NBandering
Krieger, secretaris
Müller

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag