Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



De opstand van april 1840, deel 9: Blijkbaar heeft men in Den Haag ook het voornemen de zaalopziener Schaghen te ontslaan. Dat leidt tot enkele verontruste brieven uit Veenhuizen.


De permanente commissie heeft ook plannen om de zaalopziener in het tweede gesticht Schaghen te ontslaan. Eerst maar even wie dat is.

Anthony Bernardus Schaghen wordt geÔntroduceerd via een velletje dat zich bevindt in invnr 124 scan 263, waar geen datum opstaat maar dat van ergens april 1832 zal zijn. Volgens die notitie is hij dan 'maurechaussee te voet in Heusden' en is zijn vader administrateur geweest in 's Lands graanmagazijn te Batavia. Dat is een goede referentie en bij besluit van 8 mei 1832 N23 (volgens het personeelsregister met invnr 998 folio 67) wordt hij aangesteld als zaalopziener.

Uit dat genoemde personeelsregister neem ik de persoonsgegevens over:

● Anthony Bernardus Schaghen is volgens de in dat opzicht niet altijd betrouwbare kolonieadministratie geboren op 17 januari 1794. Hij is net als de rest van zijn gezin rooms-katholiek. Hij is getrouwd met

Catrina Kartees, geboren 2 november 1792. Het echtpaar heeft bij aankomst de volgende kinderen:

● Johanna Catrina Schaghen, geboren 4 oktober 1816,
● Antonia Johanna Schaghen, geboren 20 juni 1820,
● Theodorus Schaghen, geboren 20 januari 1825, en
● Johanna Suzanna Schaghen, geboren 18 januari 1831.

Daar komen in Veenhuizen nog bij:

● Johan Vincent Schaghen, geboren 15 december 1832,
● Johanna Schaghen, geboren 19 januari 1834 en
● Maria Schaghen, ook geboren 19 januari 1834, een tweeling dus,
● Petrus Johannes, geboren 22 januari 1835, en
● Franciscus Cornelis Schaghen, geboren 19 april 1837.

Het kan zijn dat ik een kind gemist heb, want Anthony Bernardus heeft het in 1835 over zijn 'neegen kinderen' en zijn vrouw heeft het in 1840 over 'mijn tiental kinderen', dus of ik heb er eentje gemist of zij kunnen niet tellen.


In 1835
raakt Schaghen in de problemen. Hij weet dat en richt zich op 19 februari 1835, invnr 156 scans 307-308, tot directeur der koloniŽn Van Konijnenburg 'om mijn ten neederigste aan UED voeten te werpen'. Hij vraagt 'den zaak van beschuldiging te mijnen opzichte ten besten te schikken' omwille van 'mijn braven vrouw en neegen braven en onozelen kinderen'.

Als hij ontslagen zou worden, vervolgt Schaghen, zou 'een treurigen vrouw die haar braafheid niet hoog genoeg kan geeerd worden ten grave dalen en wat zouw er dan met de ?? overigen geworden'.

Hij belooft dat 'er niets in het vervolg tegen mijn zal aangevoerd worden'. En op een meer filosofisch niveau: 'Een mens is zwak, en God zijd: die zijn zonde belijd zal vergiffenis bekomen'. En in dat kader vraagt hij 'om mijn om die vout niet ten strengsten aan te reekenen' en bij een 'genadige kwijdschelding' zal Van Konijnenburg voor altijd in Schaghens gebeden tot God geroemd worden.

De directeur lijkt niet ongevoelig voor die smeekbeden. Op 21 februari 1835 schrijft hij in een brief met nummer N320 aan de permanente commissie, door de secretaris van die commissie gekopieerd, invnr 156 scan 355:


De zaalopziener Schaghen heeft voor eenigen tijd, onzedelijken omgang gehad met eene kolonist, welke verkeerdheid door hem genoegzaam is bekend geworden, onder anderen blijkbaar uit nevensgevoegden brief.

Diergelijk wangedrag is gewoonlijk met ontslag gestraft geworden, en de zaak met Schaghen ruchtbaar geworden zijnde, kan, reeds hierom, niet geheel worden voorbijgegaan.

Van den anderen kant is hij een actief zaalopziener en heeft hij een zeer talrijk huisgezin, hetwelk mededoogen verdient.

Ook geloof ik, dat eene ernstige vermaning reeds van veel invloed op hem zijn zal en heb ik mitsdien de eer UwEdG voor te stellen, om gen. ambtenaar minstens voor 3 weken in zijne dienst geheel te schorsen, met inhouding van zijn salaris voor den genen, die zoo lang zijnen post zal waarnemen.

Dat zal toen inderdaad zijn afgedaan met een paar weken inhouding op het loon, maar nu in 1840, is het serieus en dreigt ontslag. Schaghen zelf is er even niet, maar zijn echtgenote pakt de pen op 6 mei 1840, invnr 229 scans 085-087:

 
Wel Edele Heer

Vergun bid Uwedele aan Een Bedrukte vrouw wiens boesem overstolpt is met droefhijd UWelE in haare kommervolle toestand om hulp en bescherming te smeeke

Ik vertrouw dat UWelEd bekent medogend hart niet ongevoelig Zal Zijn wanneer ik UWelE met mijn tiental kinderen smeek om mij in dit ongeluk tot beschermer te Zijn En mij en mijn kroost met vaderlijke raad te ondersteunen door UWelEd veel vermogende invloed ons van een gewisse ondergang te bevrijde,

Herinner ge dat geduurende de agt jaare die wij al hier hebbe gewoond Er nimmer Eenige gegronde Klagt tege de handelwijze van mijne man eve min als tege het gedrag van zijn talrijk huijsgezin is kunne worde ingebragt

Hoe wij alles hebbe aangewend om door arbeidzaamheijd en Zuijnigheijd onse kinderre Zulk eene opvoeding te geefe dat de Zelfe tot nuttige leeden der burgelijke Maatschappij worde opgelijd

Hoe wij met deese lente onse toegeweese grond en die welke wij van andere hebbe bijgehuurd met ons Zweet hebben bewerkt, met Eijgehande bewerkt en bezaaijd en daaraan groote koste hebbe gedaan op dat dezelfe met Gods dierbaare Zeege in de noodruft van Zulk een talrijk gezin zoude kunne voorZien

Overweeg bid ik UWelE wat er van ons worden moet in dien wij met onse Goedere eene lange rijs moete doen; welke koste daar meede Zijngepaard, of wij deZelfe Uijt noodt zoude moeten verkoope aan welke verliese wij zouden bloot gesteld zijn, dat onvermijdelijk onse ondergang tengevolge zoude moeten hebben

Vergeef bid ik UWelEd aan mij, dat ik UWelE tegelijk onze onschuld op het plegtigs betuijg

Alle handelinge tege de goede orde zijn door mijne man ten sterksten afgekeurt Alles is door hem aangewend om de manschappen in Zijne Zaale tot Stilte en gehoorzaamheid te vermaanen ik betuijg voor de almagtige Godt dat hij alles heeft gedaan wat in Zijn vermoge was om de Maatschappij hiertegen behulpzaam te zijn

Weenende nader ik dan tot UWeE doe doch bid ik UWelE Uwen invloed bij den Wel Edele Heer Inspecteur gelden op dat wij in eene of andere hesteld of Zoodanig geplaatst worde dat wijde toekomst niet angstig behoefe te gemoet te Zien in de hoop wij niet vrugteloos tot UWelE te hebben vervoegt bid ik Godt dat hij UWelE bescherme en tekene mij met

Alle Agting UWelE bedrukte Dinaresse
2de Gesticht
De huis Vrouw van A B Schaghen
6 Meij 1840

Het bijbehorende adres maakt duidelijk dat ze deze brief aan adjunct-directeur Drijber van het derde gesticht heeft gericht, al spelt ze zijn naam wat typisch:


Aan de WelEdele Heer Driebel
Adjunkt Directeur
op het Derde
Gesticht


Diezelfde dag, dus ook 6 mei 1840, meldt zich de pastoor van Veenhuizen Bruins bij de permanente commissie. En passant geeft hij daarbij nog wat aanvullende informatie over Schaghens vroegere carriŤre. Deze brief bevindt zich bij de post van 13 mei 1840 N5, invnr 502 (daarvan zijn geen scans):


Hoog Edele Gestrenge Heeren!

Ik ondergeteekende Herder dezer gemeente vind mij verpligt om bij afweezigheid van den Zaalopziener A Schagen die om huisselijke betrekkingen voor veertien dagen zich met verlof op reis bevind, mij voor hem tot Uw Hoog Ed.Gestr. te vervoegen;

met deze dringende en neederige beede om dien boven genoemde Schagen, vader van negen kinderen, waarvan er zeven nog zeer jong en onschuldig zijn en de verzorging der ouders behoeven, in zijne betrekking te herstellen, of hem met eene andere te vereeren;

dewijl het niet anders dan laster of kwaadspreekendheid is, waarvan men hem bij den WelEd.Gestr. Heer Inspecteur Visser heeft aangeklaagt tot wien ik mij gisteren ook heb vervoegt.

De goedkeuring die Schagen ten allentijde van zijne Overigheid heeft weggedragen verdienen alle lof, gelijk uit zijne schriftelijke getuigenissen blijkt, waarom hij dan ook tijdens de belgische revolutie door den Prins van Saksen Weimar verkoozen werd, en aan hem geheime instruktiŽn gegeven wierden om het vijandige leger in BelgiŽ te bespieden, ofschoon met het grootste gevaar van zijn leven, heeft hij nogtans zich zoo van zijne pligt uit liefde voor Vorst en Vaderland gekweeten, dat men hem ter belooning aan Uw HoogEd.Gestr. heeft voorgesteld ten einde hem in de koloniŽn te plaatsen voor zijne bewezen diensten.

Ook hier heeft hij zich zeedert deze acht jaaren de achting zijner overigheid verworven en altijd door woorden en daden getoont dat hij de christelijke pligt van met liefde zijne overigheid te gehoorzamen zeer goed kende, stiptelijk vervulde, en dezelve ook heeft getracht anderen in te boezemen.

Ja HoogEd.Gestr. ik verklaar mits dezen: dat hij met zijn huisgezin tot de gedienstigsten mijner gemeente behooren, en dat hij mij tot steun gedient heeft, om de Godsdienst bij onze catholijke binnenkolonisten te handhaven en te bevorderen, zoo dat mijn geweeten vordert om hem allen lof toe te zwaaijen.

Daarenboven twijfel ik ook geenzints of men zal bij een nauwkeurig onderzoek der zaken ondervinden, dat hij geheel en al onschuldig is, en dat hij niet alleen geen trek of wenk van ongehoorzaamheid ooit heeft getoont, maar daarenboven ijver en een streeven, gelijk eenieder brave catholijk verpligt is, aan den dag gelegd heeft om de gestoorde rust te herstellen, en de onderhoorige binnenkolonisten zeer dikwijls aan hunne pligten herinnerd heeft.

Weshalve ik, van de waarheid mijner gezegden overtuigt van de zorg en liefde voor een goede Vader en zijne onschuldige kinderen aangedreven heb gemeent mij tot Uw HoogEd. Gestr. te moeten vervoegen en smeeken, ten einde hem in zijne betrekking weder geplaatst te mogen zien, of hem met eene andere te vereeren, opdat na een nauwkeurig en gestreng onderzoek den lasteraar tot schande gebragt worde, de goede en getrouwe amptenaar niet verongelijkt worde.

Dit zoude in het vervolg een ieder doen schroomen om deze ondeugd, die hier algemeen heerschend is, uit te oefenen.

In vertrouwen, dat Uw HoogEd.Gestr. deze mijne beede zult verhooren, en dezelve als een blijk der liefde voor waarheid en oprechtheid gel gelieven aan te nemen. Heb ik de Eer mij met alle Hoogachting te noemen

HoogEdele Gestrenge Heeren
UW HogEd.Gestr.Dienstwillige
onderdanige Dienaar
A: Bruins pastoor
Veenhuizen den 6 Meij 1840


Over dit 'Paasoproer' wordt verhaald in De strafkolonie pagina 208-219. Eerder heb ik het als feuilleton geplaatst op Vele Handen, bereikbaar via deze pagina de nummers 58a tot en met 59f. De op deze pagina's geplaatste stukken bestaan uit:



deel 1: de eerste berichten

deel 2: het verslag door inspecteur Visser

deel 3: de omgeving in rep en roer

deel 4: veteranen zijn er klaar voor

deel 5: maatregelen permanente commissie

deel 6: C. Hulst neemt tijdelijk het beheer over

deel 7: inspecteur Visser naar Veenhuizen

deel 8: adjunct-directeur Kluvers vreest ontslag

deel 9: zie boven

tot slot: de afloop