Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



Juni 1844: een ontslagen bedelaar komt met beschuldigingen van onzedelijk gedrag door employés! De directeur wordt op onderzoek uitgestuurd.


Onderstaande brief van de kortgeleden uit Veenhuizen ontslagen bedelaar Pieter Wendelgelt is gedateerd 4 juni 1844 en bevindt zich in invnr 294 scans 451-452. De transcriptie is van Jan Ebels, maar ik heb omwille van de leesbaarheid wat extra interlinies toegevoegd. Ik heb over deze kwestie eerder een stukje geschreven bij VeleHanden.


De Heeren Leeden der Permanente Commissie van Weldadigheid.

Mijne Heeren !

De Kolonien van Weldadigheid verlatende vindt ik mij verpligt UEd mijn hartelijke dank te betuigen voor de genotene verpligting, maar vermene tevens niet te mogen nalaten, UEd kennis te geven van eenige in de Kolonien No.2 plaatsgrijpende ongeregeldheden, welke geheel strijdig met het doel en inrigting der Maatschappij alleen strekking hebbend om de Kolonisten te verdrukken en onzedelijkheid aan te kweken.

Eerstelijk mijne Heeren handeld den Onderdirecteur en de wijkmeester van Leemmen der Landbouw op een geheel en willekeurige wijze, door den Kolonisten hun wettig verdiende loon te onthouden, en te behandelen niet als menschen maar als beesten,

ten tweede in het Waschhuis der Kolonien gaan zoo veele ongereldheden voort dat zulks tegen alle eerbaarheid strijd, en verscheidene geemploijeerden met de in het Waschhuis geplaatste meiden, in de gelegenheid steld om haar lusten met hun te kunnen verrichten.

De Boven briggedier der Veldwachters is hier een der voornaamsten van, en houd zich op met een meid Maria Elteren, welke de meid altijd in de gelegenheid wordt gesteld om zijn lusten aan haar te kunnen voldoen en vooral zondags smorgens in de vroegte en veel nagezette tijd als alles binnen is.

Eindelijk mijne Heeren wanneer de Kolonisten hun klagten aan den Onderdirecteur Hendriks en den Adjt. directeur Rensing over een of ander in dienen, dan worden zij ten alle tijden in het ongelijk steld, en op alle mogelijke wijze verdrukt, het is niet te verwonderen mijne Heeren van den Onder directeur Hendriks dat hij daar geen regt in verschaft, hij heeft het zelfs met een meid aangelegen welke bij hem heeft gediend, wel zoo verre dat als dat hij vader is geworden van een onecht kind, de meid haar naam is Maria Baan.

Het is met aanbeveling der belangens van de Kolonisten, dat ik een en ander ter kennis van UEd brengen, wenschende dat door UEd zoodanige middelen mogen worden in het werk gesteld ter beteugeling der ongeregeldheden en ter handhaving der geregtigheid.

En noeme mij met eerbied van UEd
Dienaar
S: Wendelgelt

2e Gesticht fh: den 4 Junij 1844.

Met 'van Leemmen' bedoelt hij wijkmeester Hendrik van Lemel en met de 'Boven briggedier' brigadier-veldwachter De Vries. De permanente commissie behandelt de brief op haar vergadering van 12 juni 1844 bij agendapunt N9, invnr 553 (daarvan zijn geen scans). Ze besluit: 'In handen van den D om een bepaald onderzoek te doen'. D staat voor directeur der koloniën en die reageert op 6 juli 1844, met nummer N1793, invnr 294 scans 448-449:


Bij marginale van den 12 Juny jl N9 hebben UwHEdG in mijne handen gesteld een geschrift van den ontslagen bedelaarskolonist P. Wendelgelt N2588, te kennen gevende het bestaan van verkeerdheden en onzedelijkheid aan het 2 Gesticht, door toedoen van personen der plaatselijke directie.

Het doet mij genoegen UwHEdG, na gedaan onderzoek op de plaats, te kunnen verzekeren, dat het een lasterschrift is, hetwelk geen opmerkzaamheid verdient en heb ik de eer UwHEdG, voor dat oordeel, het volgende mede te deelen.

De briefschrijver heeft zelf met Maria van Elteren N4336 vier jaren, zoo binnen als buiten de kolonien, verkeering gehad, gelijk zij mij zelve gezegd en bewezen heeft, door mij een van hem op haren verjaardag ontvangen vers te vertoonen.

In den laatsten tijd, evenwel, heeft zij niet meer van hem willen weten en toen hij haar toch telkens in het waschhuis trachtte op te zoeken en niet verhoord wordende, haar slagen had toegebragt, heeft de waschvrouw Leenderts, - eene zeer knappe en ordentelijke vrouw, die met haren man aan het waschhuis woont, - de hulp des Opper veldwachters de Vries ingeroepen, die  hem herhaaldelijk van daar heeft moeten verdrijven en ten laatste voor den Onder Directeur brengen, die hem over zijn loopen dáár en de mishandeling van Van Elteren ernstig onder handen genomen heeft, waaraan alleen zijn geschrijf moet worden toegekend, daar diezelfde Van Elteren mij, reeds voor dat zij van den ingekomen brief wist, te kennen gaf, dat Wendelgelt, bij zijn vertrek, gezegd had, zich wel op haar en genoemde ambtenaren te zullen wreken.

Dat Mijntje Baan N415 den 11 December 1843 van haar tweede onechte kind bevallen is en deze bij den Onder Directeur van binnen in huisdienst geweest is van November 1842 tot Mei 1843 is eene waarheid; maar boven alle verdenking moet die ambtenaar worden gehouden, van met haar onzedelijken omgang te hebben gehad, wanneer men in aanmerking neemt,
- dat zij, hoe ook uit gelokt, om zulks te bekennen, wanneer dat zoo ware, nogtans anderen opgeeft en volstrekt niets aan den dag legt, dat aan de waarheid der beschuldiging zou doen denken;
- dat de Onder Directeur zelf haar voor den Raad van Tucht gebragt heeft;
- dat hij, volgens het getuigenis des Adjunct-Directeurs, ijverig waakt tegen alle onzedelijke omgang onder de bevolking en
- dat hij, ook in dit geval, onbesproken is, met uitzondering van Wendelgelt, waarvan de oorzaak niet meer is te zoeken, evenmin als omtrent den brigadier De Vries, die, zoo om zijne jaren als om zijn sprekend goed gedrag, mede geenszins kan worden verdacht.

Zijne beschuldiging van te kort doening der kolonisten in hunne verdiensten, door den wijkmeester Van Lemel, heeft den gelijken grond. Deze, namelijk, had Wendelgelt, als opziener, bevonden verdiensten te hebben opgeschreven, die niet gemaakt waren, waarop de Onder Directeur van buiten Heidema, denzelven terstond van zijne bediening heeft ontzet; waarna Van Lemel gedurig moeite met Wendelgelt gehad heeft, hebbende dezelve dan ook eenmaal wegens onwil en willekeurige verwijdering van het werk, met 14 dagen arrest moeten worden gestraft.

De directeur der kolonien

De permanente commissie heeft op de brief geschreven '16 july 1844 N4', maar dat hoef ik niet te zien, want daar staat vast op dat ze de zaak verder 'ter notificatie' kennisgeving, laten rusten.
Alle genoemde bedelaars staan - als Pieter Wendelgeld, Merrigje van Elteren, Mijntje Baan - op de site van De bedelaarskolonie.