Diverse stukken over de kolonie Veenhuizen 1823-1859


Er staan her en der en overal op de site al stukken over Veenhuizen, zoals bij de weeskinderen, bij het onderwerp onderwijs en bij het onderwerp geneeskunde. Belangstellenden worden vriendelijk aangespoord daar eens te gaan shoppen.
Maar Ik heb er een aantal over die meer algemeen van aard zijn en die ik daar niet kwijt kan en die worden op deze pagina's geplaatst.


Een op 22 november 1824 uiterst voortvarend gesloten contract met de eigenaren van het Leekster en Zevenhuizer Hoofddiep zal tot grote irritatie van die eigenaren tot helemaal niks leiden.
Een begroting voor een 'verwerij' in de kolonie Veenhuizen, gedateerd 18 September 1828, en van de hand van de onderdirecteur voor de Fabrijk. Ik denk niet dat het uiteindelijk doorgegaan is.
Een 'kortelijke' rapportage van een bezoek aan Veenhuizen door de directeur op 19 september 1828, waarbij hij met dokter Sasse heeft gesproken en diens looneisen overbrengt.
Burgemeester Tonckens van Norg vraagt zich 26 september 1828 af of de nieuw aan te leggen begraafplaats in zijn plaats groot genoeg moet zijn om ook Veenhuizenaren te bergen.

Over de crisis in de gezondheidstoestand van wezen in het 3de gesticht Veenhuizen in 1829 zijn zoveel stukken en rapporten dat ik er een apart overzicht van gemaakt heb.

De directeur der koloniŽn doet op 10 januari 1829 verslag van een bezoek aan Veenhuizen, loopt diverse zaken langs, rapporteert een geweldincident en bespreekt met dokter Sasse een sollicitant.
Dominee Johannes Heersprink meldt op 29 januari 1829 een schreeuwend gebrek aan 'Kerk- en onderwijsboeken'. Meer dan de helft van zijn catechisanten heeft geen 'vraagboeken'.
Net als begin januari schrijft de directeur der koloniŽn ook op 6 februari 1829 een verslag van zijn bezoek aan Veenhuizen, waarbij hij alle facetten van het leven daar langsloopt.
Op 16 februari 1829 sturen de 'kerkmeesters der Protestantsche gemeente te Veenhuizen' naar de permanente commissie de begroting voor de Hervormde Gemeente Veenhuizen in 1829.
Van het rapport van de directeur over Veenhuizen van 6 maart 1829 heb ik slechts fragmenten. De gezondheidstoestand is buitengewoon gunstig en waterzuiveringsapparaten zijn simpel te maken.
Op 12 maart 1829 stuurt de directeur wat stukken naar de permanente commissie waaruit blijkt dat er tekeningen gemaakt zijn en het oude tuchtreglement voor wezen naar Den Haag gaat.
Op 9 april 1829 een kort gehouden verslag van Veenhuizen. In het eerste gesticht is plaats gemaakt voor nieuw aankomende weeskinderen. Verder de koornmolen, het karnen en het vee.
De pastoor van Veenhuizen wil gezien de afstanden binnen zijn parochie graag een paard, maar de permanente commissie weigert 17 juni 1829 daarvoor te betalen.
Op 19 september 1829 wendt burgemeester Tonckens van Norg zich tot Gedeputeerde Staten over de problemen die worden veroorzaakt door de in 1824 overhaast gegraven Kolonievaart.
Bij het verslag op 9 april 1832 van zijn bezoek aan Veenhuizen meldt de directeur dat de vaart watergebrek heeft en de zaalopziener Van der Eijnde een koloniste heeft bezwangerd.
In het jaarverslag over 1833 schrijft de directeur ook een stukje over 'de houtpoting en het houtgewas over 1833', waarin we kunnen lezen dat bij het 3e gesticht 31,000 elzen en 2,700 berken zijn gepoot.
Bij een verslag over Veenhuizen op 14 december 1833 maakt de directeur melding van de bevestiging van dominee Van Rinteln en de aanvaarding van zijn functie van de geneesheer HuŽt.
Een verslag over Veenhuizen van de directeur van 31 januari 1834 waarbij hij zijn aandacht vooral richt op het werk in de diverse 'fabrieken'. En op de hekken in het eerste gesticht.
Adjunct-directeur Poelman van het eerste gesticht heeft een beter voetpad laten aanleggen voor kinderen die naar de kerk gaan. Zonder eerst te vrage4n, maar het is 22 februari 1834 goed.
In het verslag van de directeur van 13 juni 1834 lijkt hij wat geÔrriteerd dat er niet wat bijgebouwd wordt. 115 hangmatten worden noodgedwongen door TWEE weeskinderen beslapen.
Een onbekende heeft een verslag gemaakt van de viering van Koningsdag 24 augustus 1834 in de kolonie Veenhuizen, welk verslag volgens een bijschrift is geplaatst in de Groninger Courant.
Op 10 december 1834 stelt directeur Van Konijnenburg voor om ook de volwassenen in hun hangmatten te voorzien van matrassen in plaats van een losse opvulling van stro.
De directeur stelt 3 februari 1835 voor de smederij te verplaatsen van het tweede gesticht naar het derde gesticht, zodat die dichterbij de wagenmakerij is. Waarschijnlijk gaat het niet door.
Op 21 februari 1835 doet de directeur verslag van zijn bezoek aan Veenhuizen. Weven bij het eerste gesticht gaat goed, koeien van Ommerschans naar Veenhuizen, fabrikesbaas Klunt gestoken en meer.
Een verslag door de directeur van zijn laatste bezoek aan Veenhuizen op 3 juni 1835. Wevers onder een pannendak, twaalf knechten in de klompenmakerij, de landbouw, het vee, enzovoort.
Adjunct-directeur van het derde gesticht Sikke Berends Drijber onderhandelt met diverse betrokkenen over een vaarverbinding tussen Veenhuizen en Friesland. Op 13 juni 1836 doet hij verslag.
Een in augustus 1837 door Gedeputeerde Staten van Drenthe opgestelde instructie voor de sluiswachter van het sluisje tussen de Norgervaart en de Veenhuizense Vaart.
Bij het bezoek van de directeur aan Veenhuizen in maart 1838 dwingt het lang aanhouden van de winter en de huidige nachtvorsten tot aanpassingen in het landbouwbeleid.
Als de rooms-katholieken vanaf Ī 1836/1837 een orgel in hun kerk hebben, wordt dominee Kornelis van Rinteln vreselijk jaloers. Op 2 februari 1840 ligt er een plan voor een protestants orgel.
Klein gedeelte van het verslag van de directeur over Veenhuizen, gedateerd 5 februari 1840, over ongelijkheid tussen bedelaars- en arbeidersgezinnen en voordracht Harbrecht-Van der Dooze.

De opstand van april 1840, deel 1: De eerste geluiden over de ongeregeldheden op 20 (2e Paasdag) en 21 april 1840 komen bij directeur Van Konijnenburg door een brief van adjunct Kluvers.
De opstand van april 1840, deel 2: Het verslag dat inspecteur der koloniŽn Wouter Visser geeft van de ongeregeldheden en met name van zijn eigen optreden daartegen.
De opstand van april 1840, deel 3: De omgeving is in rep en roer, blijkens brieven van de burgemeester van Norg en de gouverneur van Drenthe.
De opstand van april 1840, deel 4: De militaire veteranen zijn er blijkbaar helemaal klaar voor, want hun commandant, Johannes Thonhšuser, vraagt in ieder geval om extra munitie
De opstand van april 1840, deel 5: Op 2 mei neemt de permanente commissie een aantal maatregelen, zo wordt de directeur van zijn verlof teruggeroepen.
De opstand van april 1840, deel 6: Een andere maatregel is om de adjunct-directeur van de vrije koloniŽn, Coenraad Hulst, tijdelijk het beheer over het 2de gesticht te geven. Hij pruttelt tegen.
De opstand van april 1840, deel 7: Weer een andere maatregel is om inspecteur Visser naar Veenhuizen te sturen vanwaar hij verslag doet.
De opstand van april 1840, deel 8: Adjunct-directeur Kluvers begrijpt dat de bedoeling is hem de laan uit te sturen en reageert daarop met meerdere brieven..
De opstand van april 1840, deel 9: Dwars door dit alles loopt dat er plannen zijn de zaalopziener Schaghen te ontslaan. Dat leidt tot andere verontruste brieven uit Veenhuizen.
De opstand van april 1840, tenslotte: Hoe het allemaal afloopt. Kluvers en Schaghen vliegen eruit, maar er mag niets naar buiten komen en  het blijkt lastig de aanstichters voor de rechter te brengen.

De nieuwe adjunct-directeur van het tweede gesticht krijgt 31 oktober 1840 ook te maken met een opstootje. Hij overweegt zelfs af te treden, maar laat zich overreden te blijven.
Als de Tijdelijke Inspecteur der Godsdienstige Israelitische Scholen op 3 september 1841 het verslag van zijn inspectiereis publiceert, blijkt hij uiterst positief over de joodse gemeenschap in Veenhuizen.
Een van de regelmatige bezoeken van de directeur aan de kolonie Veenhuizen in februari 1842. Hij loopt alle vormen van landbouw- en industriŽle bedrijvigheid langs, met commentaar uit Den Haag.
Er is gebrek aan ruimte in Veenhuizen, zowel voor woonruimte als voor werkzaamheden. Directeur Van Konijnenburg schrijft er november 1842 een (slechts gedeeltelijk getranscribeerde) notitie over.
De directeur houdt het verslag van zijn bezoek aan de kolonie Veenhuizen in april 1843 dit keer kort. Winterrogge, zomerrogge, pramen met mest, katoen-spinnerij en een dronken zaalopziener.

De opstand van mei 1843, deel 1: De directeur is net terug van een bezoek aan Veenhuizen als hij 9 mei 1843 bericht krijgt van een 'onaangename passage'. Opstand en vechten!
De opstand van mei 1843, deel 2: Twee dagen later, op 11 mei 1843, stuurt de directeur het volgende verslag vanuit Veenhuizen. Alles is onder controle.
De opstand van mei 1843, deel 3: Als de permanente commissie er op 24 juli 1843 over te spreken komt, blijkt de angst van adjunct-directeur Rensing voor haar oordeel onterecht.
De opstand van mei 1843, deel 4: Een week na het oproer schrijft Sophia Petronella Jacoba Walraven een protestbrief: als dat het hier tegenswoordig gaat als dat het schande is.
De opstand van mei 1843, deel 5: Het oproer mondt uit in een rechtszaak in oktober 1843 waarvan ik geen transcriptie heb. De directeur maakt in een brief melding van een zeer forse eis: de doodstraf.

Er zijn tekorten in de magazijnen. De directeur rapporteert 8 februari 1844 dat de eindbeslissing daarover nogal nadelig uit valt voor de magazijnmeester De Lange.
Van het zeer lange verslag van het bezoek van de directeur in maart 1844 heb ik alleen transcriptie van de gedeelten over proefnemingen met de stoomspinnerij. En iets over de directeur daarvan.
Een kortgeleden ontslagen bedelaarskolonist komt juni 1844 met beschuldigingen over onzedelijk gedrag van employťs bij het tweede gesticht te Veenhuizen. De directeur gaat op onderzoek.
Op 31 juli 1844 moet de directeur melding maken van een ongeluk in de stoomspinnerij. En niet zo'n kleintje ook, het moet een enorme knal geweest zijn, alles is ontzet.






Lege bladzijde