Naar het overzicht
van stukken over WATEREN



Een kwekeling die graag uit het Instituut weg wil, is Alexander Schonewald, die mei 1829 aan zijn 'Geliefde Zuster' schrijft dat ze met de 'Heeren' moet gaan praten over zijn ontslag

Alexander Schonewald is volgens de kolonie administratie geboren tussen 1804 en 1808 en hij is 15 juli 1823 in de kolonie geplaatst door de Burgemeesteren van Den Haag op basis van contract A27 (zie een uitleg). Hij begint bij de kolonist Haakmeester op hoeve 50 van Frederiksoord, na drie jaar, op 20 oktober 1826, gaat hij over naar hoeve 24 bij de kolonist Hopman. Vandaar gaat hij 27 november 1827 naar het Instituut.

Hij staat met kwekelingennummer 2 in het stamboek van kwekelingen met invnr 1610.  En vanuit Wateren schrijft hij, 24 mei 1829, invnr 97 scans 317-319, aan zijn zuster die volgens de envelop 'Lowiza Wendeliena Schoonewald' heet, Woonende op de Niuwe Haven Bij G: ter Laakís Gravenhage'. Uit de brief wordt geciteerd in De kinderkolonie pagina 138-139.

Wateren, den 24e Meij 1829

Geliefde Zuster

Ik heb dan uwen brief van den 4 mei ontvangen en daar uit verstaan als dat gij nog gezond waart, het doet mij Leed, daar ik weet dat mijn ontslag hier is, het niet bekomen kan, in de eerste plaats heb ik mijn Belijdenis des geloofs niet afgelegen om dat ik daar niet toe bekwaam ben, en als ik daar naar moet wachten, gewis nog wel een jaar 2 of 3 dan kan wachten.-

Ik heb altijd gedagt dat een mensch daarin zijn eigen kennen moest, maar het schijnt of men hier het tegen wil en dank moet doen.

En geliefde zuster, je kan mijnHeer Burgermeester of mijn Heer Kok het zeggen dat bij aldien ik er bekwaam toe was het dan nog nergens anders als in den Haag doen wilt, en er jongelingen genoeg van de KoloniŽn afgegaan zijn, zonder het Belijdenis des geloofs afgelegd te hebben.-

Geliefde Zuster gij moet het maar aan den Heer Kok zeggen dat hij voorleden jaar Jakob Willemsen enz. wel heeft ontslagen, en ook wel jonger als ik was.

Geliefde Zuster ik kan het UE niet genoeg melden hoe of het mij spijt dat ik nu niet weg kan maar gij moet als het UE blieft het zoo aan mijn Heer Kok zeggen, op het Stadshuis, dan kan hij dadelijk daar met zijn Edelachtb: den Heer Burgermeester daar over raadplegen en dan er ook vooral bij zeggen, dat ik in mijn 23e Jaar gaat dan kunnen zij het mij slegt weigeren, door die reden dat zij graag op willen houden om íS Jaarlijks voor ons te betalen.

En naar mijn gedrag daar kunnen de Heeren informatie naar doen dat ik zoolang als ik op de kolonien verkeert hebt mij niet onbetamelijk hebt gedragen.

In hoop dat gij mij spoedig zal laten weten dat de Burgermeester hier natoe heeft geschreeven, en gij mij dan het laat wťťten.

Zoo noeme ik mij met Broederlijke Liefde
A: Schoonewald

als gij mij spoedig weerom schrijft, dan moet gij bovŽn van de brief mijn naam zetten en dan aan den Heer K: Mulder Provincie Drenthe zetten
aan A: Schoonewald aan het Instituut te Wateren
Provincie Drenthe

B Sito(??) antwoord terug wat de Heeren gezegd hebben.

Poststempels op de brief zijn van Leiden 29 Mei en ís Gravenhage 30 Mei. Een lid van de permanente commissie heeft op de brief geschreven:

Den Dir vragen, waarom Schoonewald nu niet is ontslagen, terwijl bij zijn brief van den 8 Mei N 297 berigt bekomen is, dat hij reeds was ontslagen. Voorts dat hij belijdenis afgelegd hebbende of niet, hij als in 1808 geboren zou terstond moeten worden ontslagen.

Het wordt besproken op de vergadering van 8 juni bij agendapunt 31 en op 15 juni 1829 verlaat Alexander Schonewald Wateren en de koloniŽn.