Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



De leidinggevenden als de bewoners van het eerste gesticht te Veenhuizen op het land werken, van het begin tot 1859


De organisatie van de landarbeid voor de weeskinderen en de arbeidershuisgezinnen in Veenhuizen is net als alles in de koloniŽn (en eigenlijk alles in de negentiende eeuw in Nederland) strikt hiŽrarchisch:

■ De permanente commissie in Den Haag denkt iets uit over de landbouw en zendt dat in de vorm van besluiten naar de directeur der koloniŽn in Frederiksoord.

■ Die deelt bevelen uit aan onder andere de adjunct-directeur van het eerste gesticht.

■ Die vertelt de onderdirecteur-buiten, verantwoordelijk voor de landbouw, wat er moet gebeuren.

■ De onderdirecteur-buiten deelt zijn bevelen uit aan de wijkmeesters.

■ En de wijkmeesters vertellen de wezen, arbeiders en hoevenaars wat ze moeten doen. Dus ook de hoevenaars, de bewoners van de grote boerderijen op het terrrein, zijn ondergeschikt aan de wijkmeesters.

In alle gevallen is gehoorzaamheid aan de boven je gestelden verplicht en, zoals het tuchtreglement het formuleert, 'weigering van gehoorzaamheid aan, onbescheidenheid jegens, of wel dadelijk verzet tegen een van de koloniale ambtenaren' is strafbaar.

Over de organisatie van de landarbeid gaat het op pagina 55-56 van De kinderkolonie. Hier de personele invullingen. Het gaat hier even alleen over het eerste gesticht. Voor de personele invulling bij het tweede en derde gesticht, die samen doen met ťťn onderdirecteur-buiten, komt later een aparte pagina.

De onderdirecteur-buiten van het eerste gesticht, verantwoordelijk voor de landbouw, Gerrit Harms Kuipers

In eerste instantie is Lambert Nijenbandring onderdirecteur-buiten bij het eerste gesticht. Maar als de Maatschappij in 1825 de ontginning van de gronden rond het tweede en derde gesticht voortvarend wil aanpakken, schrijft de directeur der koloniŽn op 5 februari 1825, invnr 72:

Volgens eene van ZHEdGest. den Heer 2e Ads. ontvangene particuliere missive schijnt de intentie der Permanente Kommissie te zijn, gedurende de aanstaande zomer eene grote hoeveelheid lands bij het 2e, 3e etablissement te Veenhuizen te cultiveren en daar mede nu reeds zoo veel het jaargetijde zulks toelaat met kragt te beginnen; hier aan willende voldoen heb ik nodig geoordeelt den onder Direkteur Nijenbandering onder toezigt des Heeren Poelman, provisioneel en tot dat daaromtrent nadere schikkingen door de Permanente Kommissie zullen zijn gemaakt, met de direktie dier werkzaamheden te belasten; terwijl zekere Gerrit Kuper, sedert eene gerui≠men tijd als opziener bij wijze van bouwmeester onder het 1e etablissement werkzaam, de plaats van Nijenbandering zal vervullen.

Met 'den Heer 2e Ads(essor' bedoelt de directeur Johannes van den Bosch en met Kuper bedoelt hij Gerrit Harms Kuipers maar hij blijft hem nog een tijd Kuper noemen. Ook in zijn brief van 21 april 1825, invnr 73:


Bij den mijnen dd. 5 feb. jl. N39 had ik de eer de Permanente Kommissie te berigten de door mij voorlopig gemaakte schikkingen in de direktie over de buitenkoloniŽn van de gestigten te Veenhuizen, de provisio≠nele overplaatsing namenlijk van den onder direkteur Nijenbandering bij het 2e en 3 gestigt en den persoon van Gerrit Kuper, om de funktiŽn van onder direkteur buiten bij het 1e etablissement waartenemen; als een gevolg daarvan neem ik de vrijheid de Permanente Kommissie, over eenkomstig de intentie des Heeren 2e Adsessor voortestellen, den onder Direkteur Nijenban≠dering bepaaldelijk bij het 2e etablissement overteplaatsen en gen. Gerrit Kuper als onder direkteur bij het 1e gestigt aantestellen, hebbende laatstgen. genoegzaam blijken van bekwaamheid en activiteit voor den landbouw aan den dag gelegd.

Op 19 mei 1825, invnr 961 het mapje 1825, wordt Gerrit Harms Kuipers aangesteld als onderdirecteur-buiten bij het eerste gesticht. (NB: in de kolonistendatabase staat 18 juli 1823, maar dat is onjuist). In die functie verdient hij, als alle onderdirecteurs, vijfhonderd gulden per jaar.

Als onderdirecteur heeft hij zowel zitting in de raad van tucht voor weeskinderen bij het eerste gesticht, bereikbaar via dit overzicht, als in de raad van tucht voor arbeidershuisgezinnen bij het eerste gesticht te Veenhuizen, bereikbaar via dit overzicht, als in de raad van tucht voor bedelaarskolonisten die als huisgezinnen bij het eerste gesticht gevestigd zijn, via dit overzicht, Hij is er regelmatig niet bij, ook al is het eigenlijk verplicht.

Voor de onderdirecteur-buiten is een huis gebouwd met een grote schuur erachter, wat bij elkaar volgens de 'brandwaarborg'-papieren 1600 gulden waard is, invnr 1295 en 1296.

Gerrit Harms Kuipers staat in het personeelsregister met invnr 997 op folio 35 en in het personeelsregister met invnr 998 eerst op folio 57 en later op folio 69, en uit die registers neem ik de gezinsgegevens over, met de kanttekening dat de kolonieadministratie de aantekeningen zijn van een particuliere organisatie en dus geen officiŽle bron waarop blindgevaren mag worden.

● Gerrit Harms Kuipers is volgens de kolonieadministratie geboren 20 februari 1789. Volgens zijn overlijdensakte zou dat echter zijn 20 februari 1787 te Slochteren, als zoon van Harm Kuipers en Jantje Pesman. Hij is net als de rest van het gezin hervormd (en betaalt É 1,50 per jaar voor een zitplaats in de hervormde kerk). Hij is getrouwd met:

Tetje Roelofs Harkema, geboren 23 november 1790. Zij overlijdt op de kolonie op 24 juni 1854. Het echtpaar heeft de volgende kinderen:

Harm Kuipers, geboren 28 juni 1814, Hij wordt maart 1833 'fungerend wijkmeester', zie verder op de pagina.
Aaltje Kuipers, geboren 7 mei 1819. Zij wordt 'gehuwd ontslagen' 9 oktober 1843.
Jaantje Kuipers, ook geboren 7 mei 1819, een tweeling dus. Zij wordt 'gehuwd ontslagen' 6 april 1844.
Sjoukje Kuipers, geboren 26 september 1821. Zij verlaat samen met Magdalena de kolonie op 8 augustus 1857.
Trijntje Kuipers, geboren 13 november 1823. Zij blijft op de kolonie, want zij trouwt 28 maart 1854 met de zaalopziener Martinus de Meij de Bie, over wie ik nog een pagina zal maken.

In Veenhuizen komen daar bij:
Hilligjen Kuipers, geboren 28 augustus 1826, Zij verlaat tegelijk met Magdalena de kolonie op 16 oktober 1854.
Roelof Kuipers, geboren 16 december 1827, Hij gaat met ontslag op 1 juni 1844.
Johan≠nes Kuipers, geboren 30 juli 1831. Hij verlaat de kolonie op 1 oktober 1853.
Magdalena Kuipers, geboren 30 augustus 1833. Zij verlaat tegelijk met Hilligje de kolonie op 16 oktober 1854, maar keert 12 augustus 1856 terug. Daarna verlaat ze samen met Sjoukje de kolonie op 8 augustus 1857.

Op 1 oktober 1852 wordt Gerrit Harms Kuipers overgeplaatst naar het tweede gesticht te Veenhuizen. Hij wordt bij het eerste gesticht dan eerst opgevolgd door Willem Lamberts Heidema, die elders een pagina krijgt, en daarna door Lucas Drijber, een zoon van de adjunct-directeur van het derde gesticht Sikke Berends Drijber, die vroeg of laat ook een pagina krijgt.

Gerrit Harms Kuipers wordt op 10 september 1859 eervol ontslagen. Hij overlijdt 14 november 1860 te Veenhuizen.

De wijkmeesters die tot taak hebben de landarbeid te surveilleren

De term 'wijkmeester' is overgenomen uit de vrije koloniŽn, waar een wijkmeester over een wijk met zo'n veertig woningen gaat, maar is in Veenhuizen een beetje vreemd want er zijn hier geen woningwijken. De vier wijkmeesters van het eerste gesticht - Huisman, Oost, Postema en Westerhuis - zijn er al vanaf het begin van de kolonie bij, maar krijgen pas een vaste aanstelling bij een besluit van de permanente commissie op 31 december 1824, invnr 960, zie de transcriptie.

Voor wijkmeesters zijn op het terrein gebouwd 'wijkmeestershuizen ieder derzelven
met twee woningení, wat ik opvat als twee-onder-ťťn-kap woningen, die volgens de 'brandwaarborg'-papieren 500 gulden het stuk waard zijn, invnr 1295 en 1296.

Wijkmeesters betalen 75 cent per jaar voor een zitplaats in de hervormde kerk. Ze verdienen É 5,20 per week, oftewel É 270,40 per jaar, waarvan ze f 205,40 in gewoon geld krijgen en f 65,-- in koloniale munt die alleen in de koloniewinkel waarde heeft. Tenzij ze bevorderd worden tot wijkmeester eerste klas, wat hen allemaal wel een keer gebeurt, want dan gaan ze zes gulden per week verdienen dus É 312,- per jaar.

Zoals beschreven in hoofdstuk 2 van De strafkolonie verschijnen wijkmeesters regelmatig bij de tuchtraad, meestal omdat ze 'brutaal bejegend' zijn of niet gehoorzaamd worden. Dat geldt ook voor de wijkmeesters hier en dat wordt dan altijd genoemd in de overzichten die te bereiken zijn via deze pagina. Maar de meeste kwesties zal ik hieronder ook nog wel noemen.

Ik behandel de vier die 31 december 1824 aangesteld worden in volgorde van lengte van het dienstverband, de langstdienende het eerst. Daarna doe ik de opvolgers voor zover ik ze kan achterhalen. Alles met de spelling en gegevens zoals die in de lang niet altijd betrouwbare kolonieadministratie staan.

Maarten Cornelis Huisman, wijkmeester bij het eerste gesticht van 1824 tot 1859

Hij vindt een clubje weesjongens buiten het terrein van de kolonie in oktober 1837, er is een bedelaarskolonist die niet alleen tegen Huisman 'beledigende uitdrukkingen' heeft gebruikt, maar ook 'den leider geweigerd heeft te gehoorzamen' in januari 1838, een weesjongen is 'weigerachtig van de dienstwerkzaamheden, hem gelast door den wijkmeester M. Huisman' uit te voeren in december 1839, een andere weesjongen moet terechtstaan 'wegens belediging tegen den wijkmeester M. Huisman' in september 1841.

In juni 1844 is er een weesjongen die Keizer heet en 'die den wijkmeester Huisman op een zeer brutale wijze had bejegend en allerlei beledigende uitdrukkingen tegen hem veroorloofde, waardoor de wijkmeester Huisman bedreigde hem tot zwijgen te zullen brengen, zoo hij niet ophield aldus voort te gaan, waarop Keizer eenige schreden terug trad, hem een mes toonde daarmede te zullen aanvallen indien hij Wijkmeester hem iets dorst te doen'.

Blijkbaar hebben de wijkmeesterwoningen kelders, want bij gelegenheid in januari 1855 dat enkele jongens 'rondom zijne woning werkzaam waren', hadden ze spek uit Huismans kelder gestolen. En tenslotte zijn er twee jongens die onder zijn leiding aan het grassnijden zijn en denken sneller klaar te zijn als ze dat gras halen uit de dichter begroeide grond van boeren uit Westervelde, juni 1859.

Maarten Cornelis Huisman staat op folio 36 van het personeelsregister met invnr 997 en op folio 58 van het personeelsregister met invnr 998. Van daar komen de gegevens:

Maarten Cornelis Huisman is geboren 17 augustus 1782. De Maatschappij heeft er een handje van Groningse (en Friese) namen te verHollandsen en dat lijkt ook hier het geval, want in de meeste officiŽle akten heet hij Meerten in plaats van Maarten.
Als geloofsovertuiging staat genoteerd 'menist', waarmee men doopsgezind bedoelt. Bij de rest van het gezin staat 'hervormd'.  Als plaats van herkomst wordt genoemd Scharmer, wat dus anders is dan 'Borg Compagn. in Sapmeer' in het hiervoor genoemde besluit. Als datum dat hij voor het eerst in de kolonie is verschenen, staat 1 september 1823 genoteerd. Hij is getrouwd met

Anna Roelofs Jager, geboren 19 maart 1783. Het echtpaar komt aan met:

Kornelis Huisman, geboren 15 juli 1812,
Elsje Huisman, geboren 24 oktober 1816,
Roelof Huisman, geboren 11 mei 1818, en
Matje Huisman, geboren 10 mei 1820.

Bij besluit van 11 maart 1833, invnr 1007, wordt Huisman bevorderd tot wijkmeester eerste klas.

Van de vier kinderen zullen er drie op de kolonie terechtkomen.

Roelof Huisman verlaat het ouderlijk nest op 3 september 1836. Twee dagen later trouwt hij met Anna Roelof Jans, dochter van een uit Groningen afkomstige hoevenaar, zie over die familie op deze pagina. Roelof wordt opvolger van zijn schoonvader en bewoont vanaf dan de grote boerderij nummer 11. Hij wordt ook wijkmeester, zie onderaan de pagina.
Het stel krijgt een hele stamp kinderen waarvan er twee trouwen met kinderen van Teuntje van Puffelen en Pieter van der Windt, die elkaar op deze pagina hebben leren kennen.

Kornelis Huisman maakt volgens het stamboek dat huwelijk net niet mee, want hij gaat 4 september 1836 in militaire dienst. Hij is de enige die echt van de kolonie afgaat.

Eltje Huisman trouwt met een ander hoevenaarskind. Willem Gerrits Timmerman is een zoon van Hendrik Gerrits Timmerman, die in 1818 behoorde tot de eerste proefkolonisten toen hij nog dacht dat hij Hendrik Gerrits heette. De hoeve wordt per 31 maart 1839 overgeschreven op naam van Willem Gerrits Timmerman en hij en Eltje Huisman zijn dan hoofdbewoners van boerderij numer 2 bij het eerste gesticht, invnr 1582 folio 11. Ook de nodige kinderen.

Matje Huisman gaat 1 november 1845 als laatste uit huis. Ze trouwt die dag met Harm Willems Heidema, zoon van de onderdirecteur Willem Lammerts Heidema, zie deze pagina. Het stel woont een paar jaar buiten de kolonie, maar worden per 13 november 1848 als hoevenaar aangesteld op boerderij 1 bij het derde gesticht, invnr 1583 folio 33. Het wordt eentonig, maar ook heel veel kinderen. Er zijn nu drie grote boerderijen in handen van de Huismannetjes.

Op 14 september 1850 overlijdt echtgenote Anna Roelofs Jager.

Op 10 september 1859 wordt Maarten Cornelis Huisman als wijkmeester ontslagen. Ja, 77 jaar oud dus dat wil waarschijnlijk niet zo best meer. Maar op die datum worden een heleboel employťs ontslagen om de weg vrij te maken voor de overname van de gestichten door de Staat.
Ouderdomspensioen is nog niet uitgevonden. Waar hij daarna blijft zou ik niet weten, hij staat niet bij een van zijn kinderen in de stamboeken der hoevenaars ingeschreven, maar hij kan daar best gezeten hebben, want hij overlijdt te Veenhuizen op 12 januari 1865. Het aantal kleinkinderen in Veenhuizen loopt rond die tijd in de twintig.

Roelof Oost, wijkmeester bij het eerste gesticht van 1824 tot 1843

Als datum dat hij voor het eerst in de koloniŽn opduikt staat genoteerd 24 augustus 1822. Dat is op een moment dat de eerste ontginning van Veenhuizen nog moet beginnen.

Legendarisch is de kwestie in het voorjaar 1826, beschreven in De bedelaarskolonie pagina's 265-267, met de kolonist Willem Brauckman die hem van de mestbult afschopt en hem Ďmet de mestvork agtervolgd, onder bezweerende bedreigingen hem wijkmeester daarmede te doorstekení.

Zowel in januari 1832 betrapt Roelof Oost weeskinderen die de voor de winter ingekuilde wordtelen hebben geroofd, als op het eind van het jaar, december 1832. Een andere keer betreft het drie jongens, 'zijnde door hem op de weg tusschen de Kolonie en Westervelde betrapt met een Zak inhoudende eenige ijzerwaren, die zij wilde gaan verkoopen', september 1840.

En tenslotte is er een bedelaarskolonist die hem een bliksemstraal toewenst die hem in tweeŽn zal splijten, juli 1844.

Volgens notities in de personeelsregisters is Roelof Oost behalve wijkmeester ook 'opziener der jagt voor het 1 gesticht'. Hij staat op folio 35 van het personeelsregister met invnr 997 en op folio 58 en folio 73 van het personeelsregister met invnr 998. Van daar komen de gegevens:

Roelof Oost is volgens de kolonieadministratie geboren 26 augustus 1795. Hij is net als de rest van het gezin hervormd. Volgens genealogen is hij ongehuwd als hij wordt aangesteld, maar trouwt hij enkele maanden later. Die echtgenote overlijdt snel en omdat de personeelsregisters van de koloniŽn pas in 1828 beginnen, staat zij daar niet in. In de registers staat slechts dat hij op 29 november 1828 trouwt met:

Impje Engels, geboren 17 februari 1804. Volgens genealogieŽn is haar achternaam 'De Jonge'. Het echtpaar krijgt de volgende kinderen:

Gerrit Oost, geboren 3 juli 1829,
Jantje Oost, geboren 26 januari 1831. Zij overlijdt 22 september 1833,
Engel Oost, geboren 23 januari 1833,
Jantje Oost, geboren 10 maart 1835. Zij overlijdt 26 mei 1853,
Derk Oost, geboren 4 januari 1837,
Hendrik Oost, geboren 21 januari 1839, en
Jan Oost, geboren 21 juli 1841. Hij overlijdt 26 januari 1842,

Bij besluit van 21 juni 1834 N19 wordt hij gepromoveerd tot wijkmeester eerste klas. Per 1 januari 1843 gaat hij als wijkmeester en opziener der jacht over naar het tweede gesticht. Daar komen er bij:

Antje Oost, geboren 24 januari 1843. Zij overlijdt 1 augustus 1846, en
Antje Oost, geboren 28 mei 1847.

En daar vliegen kinderen uit: Gerrit Oost gaat met ontslag op 18 oktober 1845, maar komt weer terug op op 22 januari 1849, om 21 april 1849 weer te vertrekken. Engel Oost gaat weg op 15 januari 1856 en Derk Oost op 18 april 1857.

Op 7 april 1860 overlijdt echtgenote Impje Engels (de Jonge).

In het register toegang 0137.01 invnr 51 staat hij na 1859 bij de categorie werknemers 'aankomst voor 1826, niet in kolonie geboren' als wijkmeester met vijf kinderen, dus ik neem aan dat hij in dienst blijft als de Staat de gestichten heeft overgenomen. Hij overlijdt 25 maart 1871 te Veenhuizen.

Petrus Postema, wijkmeester bij het eerste gesticht van 1824 tot 1834

Volgens het eerder genoemde besluit van 31 december 1824 met de aanstelling van wijkmeesters, is zijn volledige naam Pieter Cornelis Postema, maar hij staat overal in de boeken van de Maatschappij als Petrus Postema, dus daar houd ik mij verder aan. Hij staat in het personeelsregister met invnr 997 op folio 36 en in het register met invnr 998 op de folio's 36, 59 en 22. Daaruit komen de gegevens:

Petrus Postema is geboren 3 juli 1799, afkomstig uit Scharmer en hervormd. Hij is getrouwd met:

Jennigje Kuipers, geboren 26 maart 1797. Het stel krijgt de volgende kinderen:

Cornelis Postema, geboren 1 januari 1826. Hij zal later ook in dienst van de Maatschappij treden en trouwen met een dochter van de schoolmeester van de Ommerschans,
Harm Postema, geboren 9 november 1828,
Meiske Postema, geboren 25 mei 1831. Zij overlijdt 27 februari 1833,
Gerrit Postema, geboren 19 december 1833. Hij overlijdt 28 augustus 1834, en
Gerrit Postema, geboren precies een jaar later, 28 augustus 1835.

De laatste twee zijn al geboren toen Petrus Postema geen wijkmeester meer was, want hij doet het werk tien jaar en wordt per 1 juni 1834 'boekhouder te Veenhuizen I Buiten, tevens belast met het toezicht op de arbeidershuisgezinnen in de buiten woningen van het gesticht', Dat verdient zeven gulden per week dus hij gaat erop vooruit.

Dat is nog meer het geval als hij per 15 november 1836 onderdirecteur wordt van de vrije kolonie Willemsoord, want een onderdirecteur verdient f 500,-- per jaar. Meest opvallende gebeurtenis te Willemsoord is dat hij door twee opgeschoten jongens wordt uitgescholden, zie de zitting van de raad van politie en tucht van 29 juli 1837.

Tenslotte wordt hij per 1 april 1838 onderdirecteur-buiten op de Ommerschans en dat staat verder op de site van de bedelaarskolonie.

Johannes Lambertus Westerhuis, wijkmeester bij het eerste gesticht van 1824 tot 1828

Westerhuis staat in het personeelsregister met invnr 997 op folio 35. Daar komen de gegevens vandaan:

Johannes Lambertus Westerhuis is geboren 11 juni 1800 en afkomstig uit Avereest. Het gezin is hervormd. Hij is getrouwd met:

Johanna Riekel Haveman, geboren 2 januari 1804. Op de kolonie krijgen ze:

Willem Westerhuis, geboren 28 februari 1828.

Johannes Lambertus Westerhuis wordt per 1 mei 1828 uit de dienst der Maatschappij ontslagen. Of dat op eigen verzoek of tegen zijn zin is, heb ik niet kunnen achterhalen.


Gosling Braaksma, wijkmeester bij het eerste gesticht voor de arbeidersgezinnen, 1825-??

Van Gosling Braaksma is weinig bekend omdat hij al weer is verdwenen als het oudst bewaard gebleven personeelsregister in 1828 begint. Op een moment, 31 augustus 1823, dat de zalen in het eerste gesticht nog helemaal leeg staan, wordt hij aangesteld als zaalopziener, zie het besluit.
Twee jaar later, 22 oktober 1825, schrijft de directeur der koloniŽn over hem, invnr 76:


Braaksma / wijkmeester / É5,20 / Deze persoon sedert korte tijd met de functien van wijkmeester belast, schijnt voor die betrekking nogal geschikt≠heid te hebben, waarom den ondergeteekende bij deze voorsteld hem als wijkmeester voor de woningen der arbeidershuis≠gezinnen te benoemen en zulks in plaats van den hierbo≠vengem. geemploy≠eerde Kloekers op het gewoon salaris van É5,20 s weeks, terwijl omtrent de provisionele plaatsing dezer persoon der Heeren Leden der Permanente Kommissie reeds zijn bewust.

Naar aanleiding van dat advies stelt de permanente commissie hem aan als wijkmeester voor de arbeiderswoningen, 3 november 1825, zie het besluit. Het jaar daarop blijkt hij toch weer zaalopziener, want op 9 december 1826, invnr 82 scan 508, schrijft de directeur der koloniŽn over hem:

Dat de zaalopziener Braaksma aan het 2e Etablissement beschuldigd is, van de nieuwe lakens in onbewoonde zalen onder zijn opzigt gesteld, eene halve baan te hebben afgenomen, of van drie lakens vier gemaakt, waar door hij de Maatschappij zoude hebben ontvreemd niet minder dan 40 stuks beddelakens van twee banen;
ik heb bij mijn verblijf deze week te Veenhuizen, een speciaal onderzoek omtrend die zaak gehouden, en hoewel de zaalopziener dit nog blijft ontkennen, genoegzame bewijzen voor de waarheid gevonden;
niet minder dan 22 nieuwe lakens, 2 dozijn nieuwe messen en 47 stuks vorken, alles blijkbaar uit de magazijnen der Maatschappij waren;
zoo in zijne eigene woning, als bij veteranen en arbeidershuisgezinnen door hem geborgen, en verklaarde de laatste in zijn tegenwoordigheid, die van Braaksma in bewaring te hebben genomen-
 

Op grond hiervan schorst de directeur Braaksma, maar op 2 januari 1827, invnr 83 scan 23, meldt de directeur:

Dat de zaalopziener Braaksma zonder het bepaald ontslag der permanente kommissie aftewagten, spoedig na het ontdekken zijne misdaden van Veenhuizen is vertrokken;
de klagten tegen denzelve zijn niettemin bij de publieke authoriteit ingeleverd.

Als gevolg van dat laatste moeten Gosling Braaksma en zijn vrouw verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg in Assen, waar zijn nog voortvluchtige vrouw als hoofdschuldige wordt aangemerkt, die daarvoor vier jaar gevangenisstraf krijgt, terwijl Braaksma er met twee maanden van af komt, zie hier.

Kornelius Laarman, wijkmeester bij het eerste gesticht van ?? tot 1830

De officiŽle aanstelling van Laarman tot wijkmeester schijnt pas op 2 november 1830 te zijn, maar al in 1828 staat hij als wijkmeester bij een geboorteaangifte. Hoe dan ook is het van korte duur want ook in november 1830 trekt hij met de schutterij ten strijde tegen de Belgen die zich van Nederland willen afscheiden. Na zijn terugkomst wordt hij onderdirecteur, zie verder over hem op deze pagina.

Harm Kuipers, fungerend wijkmeester bij het eerste gesticht van 1833 tot 1852

Wat bedoeld wordt met de term 'fungerend' zou ik echt niet weten. Volgens mij is het alleen maar een rotsmoes om hem minder te hoeven betalen, hij verdient namelijk slechts 4 gulden per week. Hij is een zoon van de onderdirecteur-buiten Gerrit Harms Kuipers, zie bovenaan de pagina.

Hij staat in het personeelsregister met invnr 997 op folio 36 en in het register met invnr 998 op folio 59 en folio 74. Hij is ongehuwd en volgens mij woont hij nog thuis. Als zijn vader op 1 oktober 1852 wordt overgeplaatst naar het tweede gesticht, gaat Harm Kuipers ook naar het tweede gesticht.

Daar staat hij genoteerd als wijkmeester zonder 'fungerend' ervoor, maar nog wel steeds voor vier gulden. Bij besluit van 31 augustus 1858 N3 wordt hij 'met ingang van 1 Sept 1858 bepaald aangesteld tot wijkmeester bij Veenhuizen No 2 op 6.- s weeks'. En per 10 september 1859, de dag dat zijn vader eervol ontslag krijgt, wordt Harm Kuipers aangesteld als onderdirecteur voor de landbouw bij het tweede gesticht.

Coenraad Wernert, wijkmeester bij het eerste gesticht van 1844 tot 1849

Volgens folio 60 van het personeelsregister met invnr 998 wordt Wernert bij besluit van 7 oktober 1844 aangesteld als wijkmeester, meteen wijkmeester eerste klas dus voor zes gulden per week. Uit dat register komen de gegevens:

Coenraad Wernert is geboren 26 januari 1796. Volgens zijn overlijdensakte was dat te Ingen in Gelderland als zoon van George Wernert en Aaltje van Hattum. Het gezinnetje is hervormd. Hij is getrouwd met

Stephania Losekoot, geboren 9 maart 1806. Ze hebben ťťn kind:

Johannes Stephanus Wernert, geboren 18 april 1844.

Coenraad Wernert overlijdt op 23 april 1849. Daarna worden zijn vrouw en kind per 16 juli 1849 overgeplaatst naar een arbeiderswoning en wordt Stephania Losekoot aangesteld als '2e naaivrouw in de fabrijk bij het 1 Gesticht op É 3.- s weeks', al is er op deze pagina ook even sprake van om haar als ziekenoppasser te gebruiken. Maar dat schijnt niet goedgevonden te worden.

Moeder en zoon staan nu op folio 30 van het stamboek van arbeidershuisgezinnen met invnr 1575 als bewoners van woning 27 van het eerste gesticht. Daar staat dat ze al op 30 augustus 1849 met ontslag de koloniŽn verlaten.

Hoevenaars bij het eerste gesticht die tegelijk wijkmeester zijn

Bij de Ommerschans is het in de beginperiode al eens voorgekomen dat een hoevenaar tegelijk wijkmeester is en in Veenhuizen lijkt dat op het eind van de koloniale periode te beginnen. In het stamboek van hoevenaars 1848-1859 staat bij twee van hen aangetekend dat ze wijkmeester zijn:

Roelof Huisman op folio 30, een zoon van Maarten Cornelis Huisman, zie eerder op de pagina. Er is bij hem echter geen enkele notitie wanneer dat wijkmeesterschap is ingegaan. Wel is genoteerd dat hij na de overname door de Staat is 'overgebragt onder de ambtenaarshuisgezinnen den 15 September 1861'. Het moet daarna verder gaan op folio 27 van toegang 0137.01 invnr 51, maar dat heb ik niet bekeken.

Cornelis Hogenberk op folio 29. Hij is een zoon van een van de eerste proefkolonisten die toen nog Hogenbrink heette. Van hem is wel een notitie in de personeelsoverzichten in invnr 1007. Daar staat dat hij op 29 september 1852 is aangesteld als 'wijkmeester buiten'.
Er is ook een einddatum bekend, want in het stamboek van hoevenaars is aangetekend: 'C. Hoogenberk als hoevenaar met zijn gezin overgeplaatst naar de Ommerschans 4 Nov 1859'.


Meer wijkmeesters zijn er volgens mij bij het eerste gesticht niet geweest.