Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



Het contract van 1 maart 1825 voorziet in controle van de leefomstandigheden van de kinderen, maar een commies van het ministerie heeft september 1825 moeite antwoorden te krijgen.

Artikel 17 (en dus niet 18 zoals de commies lijkt te denken) van het contract van 1 maart 1823, zie hier, geeft het ministerie van Binnenlandse Zaken 'ten allen tijde' het recht 'den staat van de van het Gouvernement overgenomene personen te doen onderzoeken'. Maar uit een brief van een commies van het ministerie van 5 september 1825, invnr 75, blijkt dat hij moeite heeft antwoorden te krijgen.


Frederiksoord - 5 september 1825

Indien ik bij het geven aan den adjunct Directeur Drijber te Veenhuizen van een lijstje van vragen ten einde zijn geheugen behulpzaam te zijn, had kunnen vermoeden dat het zelve als eene officiele aanvraag konde be­schouwd worden, ware daarop voorzeker het slot niet gesteld geweest, als betrekking hebbende tot renseignementen, buiten den adjunct Directeur gemakkelijk verkrijgbaar, of in druk bekend gemaakt, en die niet in verband stonden met mijne delegatie om naar luid van artikel 18 van het contract van 1 maart 1823 te onderzoeken den staat van de van het Gouvernement door de Maatschappij van Weldadigheid overgenomen personen en of ten hunne opzichte worden waargenomen de reglementaire bepalingen bij het vroegere artikel 15 bedoeld. -

Dat op dit lijstje enkele vragen voorkwaamen (behalve het slot) waarop UW Edelen Gestrengen schrijven te hebben begrepen dat geen inlichting konde gegeven worden, is toeteschrijven aan mijne onkunde der reglementaire bepalingen. -

Zoo had ik b.v. gemeend te moeten vragen de prijs der ligging stukken in de veronderstelling dat de opgenomen perso­nen zich daarvan evenals van de kledingstukken, uit het bedrag der hun toegekende verdiensten moesten voorzien.

Ofschoon nu wel het meergenoemd lijstje grootendeels is beant­woord, en zoo ook nog meer andere mondelinge vragen, het zij bevorens of naderhand gedaan, is mij geene inzage vergund van eenige reglementaire instelling aangaande de verzorging der te Veenhuizen aanwezige personen - en het viel buiten mijn bereik, door het doen alleen van vragen naar eene mij onbekende zaak, het noodige licht deswege te verkrijgen. -

Ik vinde mij derhalve in de noodzakelijkheid aan UW Edele Gestrengen te verzoeken, gelijk ik de eer heb te doen bij deze, om mij wel te willen doen mededeelen de door UW Edele Gestrenge gemaakte en bij art: 15 voornoemd bedoelde reglementaire instellingen, daaronder ook begrepen het geen betreft de straffen of de discipline, en het onderwijs mitsgaders de godsdienst - waarvan wordt melding gemaakt bij art: 16 daaropvolgende. -

Want het komt mij zeer bezwaarlijk voor aan het bij art: 18 genoemde onderzoek te voldoen zonder de voorschriften te kennen waaraan het zelve behoort te worden getoetst.

D:F: Gevers
Kommies van staat in den Raad van State, gedefigureerd bij het vak van Armenwezen en Gevangenissen