Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



De eerste poging om een ontslagvoordracht voor wezen op te stellen verloopt oktober 1825 moeizaam, om vervolgens te worden getorpedeerd door Binnenlandse Zaken


Niemand weet nog hoe het moet, een ontslagvoordracht voor wezen. Nadat is bepaald dat ze twintig jaar moeten zijn, meldt de directeur der koloniën op zaterdag 1 oktober 1825 dat hij eerst 'in loco', ter plekke wil overleggen over de lijst met 'bejaarde kinderen', invnr 76: 


De naamlijst der bejaarde kinderen te Veenhuizen zal ik eerstdaags der­waards gaande, mede neemen, die zaak in loco onderzoeken, en daar na eene nieuwe lijst met de mogelijke ophelderingen de Permanente Kommissie doen geworden.

Dat overleg in loco is vrijdag 7 oktober 1825 achter de rug en dan schrijft de directeur, ook invnr 76:


Voorts heb ik de eer hier nevens te retourneren den staat der weezen, welke tot ontslag zouden worden voorgedragen, benevens eene 2e diergelijke staat, waar op wij hebben gebragt een rubriek van hun presumtive ouderdom, afgeleid uit het geen de kinderen omtrent hunne geboorte konden opgeven, en hun uiterlijk aanzien; als mede dat zij voor het grootste gedeelte reeds voor de Nat. Mil. hebben geloot: meerder of duidelijker aanwijzing hebben wij diensaangaande niet kunnen bekomen.

Bijgevoegd zijn de vermelde lijsten van 51 weeskinderen te Veenhuizen, waarvan één met verschillende leeftijden: bij opgave, bij controle en bij schatting. De laatste wil nogal eens wat hoger uitvallen dan de eerste twee. Maar dinsdag 11 oktober 1825, invnr 76, torpedeert de Administrateur van het Armenwezen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken de onderneming:


Ik heb geene bedenking tegen het voorstel, vervat ik UwelEd. missive van den 16e september 1825 N555 om jaarlijks een ontslag te verleenen aan zoodanige der in de etablissementen te Veenhuizen opgenomene kinderen als door hunnen ouderdom van 20 jaren, vatbaarheid in den arbeid, en braaf gedrag, daartoe geschikt zouden worden geoordeeld.
Het jaar is echter te verre verloopen om voor het einde deszelven, een zoodanig ontslag toe te staan. Ik vermeen dat het raadzaamst zal wezen dat eene voordragt daartoe, door UwelEd. in de eerste maanden des volgen­den jaars gedaan worde.