Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



De gouverneur van Drenthe maakt duidelijk wat voor lijsten hij voortaan van de Maatschappij wil hebben met betrekking tot dienstplichtige jongens

Onderstaande brief van de gouverneur van Drenthe is gedateerd 3 oktober 1828 en bevindt zich in invnr 94:

Naar aanleiding van het antwoord der Permanente Commissie van Weldadigheid dd. 30 september ll. N967, op mijne missive van den 1sten september ll. N24-26, heden ontvangen, heb ik de eer dezelve uittenodigen, aan mij thans zoo spoedig mogelijk, en inkomstig jaarlijks, in de maand juni, te willen doen geworden, navolgende bescheiden, als:

1e. Eene globale, doch wegens elke betrekkelijke Provincie, afzonderlijke opgave van het juiste getal jongens en meisjes, welke uit dezelven, in de gestichten, of kolonien der Maatschappij van Weldadigheid, in deze provincie aanwezig, op den eersten januari van het loopende jaar, zijn uitbesteed geweest, en overeenkomstig Z. Ms. besluiten van 19 september 1826 N89 en 25 mei 1827 N152, in de termen vallen, om met betrekking tot de bepalingen, op het stuk der Nationale Militie van de effective bevolking dezer provincie afgetrokken, en bij die der Provincien, van wr die kinderen herkomstig zijn, gevoegd te worden.

2e. Eenen naamlijst van alle jongelingen, na de inzending der primitive lijsten, tot heden toe, naar de gestichten der Maatschappij overgebragt, welke door hunnen ouderdom vallen in de termen van, in het volgende jaar, voor de Nationale Militie te moeten worden ingeschreven, met opgave der gemeente en Provincie, door welke de kosten hunner alimentatie worden bestreden.
En wordt gelijke opgave, bij het einde van het jaar, immers vr ultimo januari verlangd, indien er inmiddels alnog opzendingen van in deze cathegorie vallende jongens, mogten zijn gedaan.

3e. Eenen nominativen staat van alle veranderingen, welke de primitive lijsten van jongens en meisjes, na denzelver inzending tot ultimo januari 1828, en vervolgens, van het naastvoorgaande jaar, door overlijden, verplaatsing, ontslag, aanvulling van nieuw aangekomene, als anderzins, zullen behoren te ondergaan; alles met naauwkeurige opgave van het domicilie, alwaar de voorwerpen te huis behooren.

Vermits de verordeningen, tengevolge voormelde Z. Ms. besluiten daargesteld, zonder deze opgaven, niet ter executie kunnen worden gelegd, zoo verzoek ik den Permanente Commissie, van hare zijde, door eene spoedige bezorging der verzochte renseignementen, mede te werken, teneinde aan denzelven kan worden voldaan.

Op de brief heeft de permanente commissie genoteerd dat zij deze brief bespreekt op haar vergadering van 20 oktober 1828 bij agendapunt N113, dat zij een voorlopig antwoord aan de gouverneur schrijft op 21 oktober 1828 in een brief met nummer N1058 en diezelfde dag aan de directeur der kolonin schrijft onder nummer N1051, dat ze na diens antwoord de zaak agendeert op 13 november 1828 bij agendapunt N37 en tenslotte een definitief antwoord geeft aan de gouverneur op 12 november 1828 in een brief met nummer N1128.

Blijkbaar stuurt de Maatschappij op 9 december 1828 de eerste lijst en als de gouverneur die heeft doorgestuurd naar de betreffende provincies leidt dat meteen weer tot de nodige correspondentie.