Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen

In de bedelaarsgestichten ouderloos geworden kinderen die vandaar worden overgebracht naar de kinderetablissementen. Hoe het begon.

De permanente commissie heeft bedacht dat in de bedelaarsgestichten ouderloos geworden kinderen misschien naar de kinderetablissementen zouden kunnen worden overgebracht en zet die discussie in werking met een brief aan de directeur op 30 december 1828. Het hele proces wordt beschreven in De kinderkolonie pagina 172-174. Hier de betreffende stukken.


Op 27 januari 1829 reageert de directeur der koloniën Wouter Visser op de vraag van de permanente commissie. Uit zijn brief, invnr 95:

Eindelijk hierbij te voegen twee staatjes van kinderen welke in de Gestigten te Veenh. en OS ouderloos zijn geworden, en zulks in voldoening aan het verlangen der Perm. Komm. reeds bij hare missive dd. 30 december jl. te kennen gegeven;
zodanig staatje vroeger van de Ommerschans ontvangen, door mij onvolledig geoordeeld zijnde, wierdt hetzelve teruggezonden en door dit, op den 5e deezer gedagteekend vervangen, hopende dat een en ander nu aan de intentie zal voldoen.

Ik heb de eer te zijn,
de Directeur der Kolonien, Visser

Daarna wendt de permanente commissie zich tot het ministerie van Binnenlandse Zaken. Bij haar brief dd 21 februari 1829 voegt zij lijsten van de kinderen die het betreft, waarvan ik één vel heb afgedrukt bij de verantwoording van hoofdstuk 5, zie deze pdf en dan door naar pagina 173. In de brief schrijft zij, invnr 364:

Naarmate de bedelaarsgestichten van de Maatschappij langer hebben bestaan is het getal van in derzelve ouderloos geworden kinderen en van die, welke, door het afsterven in de gestichten van een der ouderen, met wien zij zijn aangekomen, verlaten kinderen geworden zijn, aangegroeid, hetwelk nog meer moet toenemen aangezien deze niet voordat zij volwassen en tot den arbeid geschikt geworden zijn, tot ontslag kunnen worden voorgedragen.

Alhoewel nu die kinderen, benevens de overige van nog in leven zijnde bedelaarskolonisten, tot zekeren ouderdom toe, in afzonderlijke, met die van de kindergestichten veel overeenkomende zalen worden verpleegd, zou hunne opvoeding echter alzoo goed en beter in de kindergestichten zelve kunnen worden ter harte genomen.

Wij zijn mitsdien op het denkbeeld gekomen, om UwHEdG voortestellen, gelijk wij de eer hebben bij dezen te doen, om de bedoelde kinderen, waarvan wij eene naamlijst hiernevens voegen, in de kindergestichten overteplaatsen en zulks bij vervolg, steeds zonder vooraf bekomen autorisatie te doen, telkens wanneer een kind, door het afsterven zijner ouders of een derzelve, wees of verlaten kind geworden is.

Wij meenen dat hiertegen minder zwarigheid bestaat, naardien die kinderen, welke niet om zich zelve, maar om hunner ouderen wille in de bedelaarsgestichten zijn opgenomen geworden, eigenlijk meer in de gestichten voor weezen en verlatene kinderen te huis behooren, en de gemeenten, welke met de kosten voor hun onderhoud belast zijn, voor hen in de laatstgen. gestichten overgeplaatst, volgens het Kon. Besluit van 17 Aug 1827, N125 slechts f 25:- voor die boven en f 45:- voor die beneden de 13 jaren oud, of f 35:- doorelkander, zullen behoeven te betalen; terwijl voor ieder valide persoon in de bedelaarsgestichten f 25:- en voor ieder invalide persoon - zoo als jonge kinderen mede zijn - f 52,50, dat is f 37,75 door elkander, moet worden betaald, hetgeen dus eerder een voor- dan een nadeel voor die gemeenten kan opleveren.

De eerste lading

Het ministerie reageert 2 maart 1829, invnr 96, scan 13. Zij vindt dat de gemeenten waar die bedelaarskinderen vandaan komen eerst gevraagd moeten worden, maar dat geldt natuurlijk niet voor de kinderen waar geen gemeente bij hoort. Over die eerstelingen die meteen overgaan, doe ik meer op een andere bladzijde. Het ministerie schrijft:


Ministerie van Binnenlandsche Zaken
Administratie voor de gevangenissen en het Armwezen
Onderwerp: Armwezen, Instellingen ter vermindering van het getal der Armen.

Ik heb de eer gehad UwelEdele missive van den 21 Februarij 1829, N160, te ontvangen, houdende voorstel om de bedelaars-kinderen, welke gedurende hun verblijf in de Ommerschans ouderloos zijn geworden, in de kinder-Etablissementen te doen overgaan.

Mij zeer wel kunnende vereenigen met de gronden, door UwelEd. voor dien overgang aangevoerd, autoriseer ik dezelve om de kinderen, met namen M.T. van Damme (N189), T.S.A. Swart (N269), J. van de Veere (N1088), F. de Vulder (N1089), P. de Vulder (N1091) en S. Kleves (N1650) welke voor Rijks rekening verpleegd worden, naar de Etablissementen te Veenhuizen te doen overbrengen.

Ten aanzien der kinderen, wier onderstands-domicilie bepaald is, acht ik het voegzaam de besturen der Gemeente waartoe zij behooren, vooraf te hooren, gelijk tot hiertoe, in eenige gevallen van dien aard, als het ten dezen bedoelde, is geschied.

De Administrateur voor de gevangenissen en het Armwezen,
Privinaire

Dat informeren bij gemeentes loopt getrapt. Het ministerie schrijft aan de gouverneurs van de provincies en die schrijven aan gemeentebesturen. De antwoorden van die laatsten komen ook weer via de gouverneurs bij het ministerie. De komende maanden meldt het ministerie regelmatig aan de permanente commissie hoe er bij een bepaalde gemeente over gedacht wordt.
Die brieven heb ik niet allemaal, maar wel een paar:

Amsterdam doet moeilijk

Op 29 april 1829 schrijft het ministerie over Purmerend en Amsterdam, invnr 96:

In antwoord op UwelEds missive van den 21 Februarij 1829, N160, heb ik de eer UwelEd. te informeren dat het stedelijk bestuur van Purmerend gaarne zien zal, dat Johannes Visser (N523) uit de bedelaars-etablissementen, naar rekening dier stad, in de kindergestichten te Veenhuizen worde overgebragt.

Omtrent de overbrenging der kinderen in dezelfde omstandigheden als Johannes Visser voors. verkeerende, en tot de Gemeente Amsterdam behoorende, observeert het bestuur derzelve dat het, de goede oogmerken van UwelEd. behulpzaam willende zijn, volkomen bereid is, zulke kinderen voor rekening van de Stad, te doen overnemen in de Etablissementen te Veenhuizen; doch, aan plaatselijke bepalingen gebonden zijnde, vooreerst tot voorwaarde stellen moet, dat die overneming zich niet verder uitstrekke, dan tot kinderen, die onmiddellijk ten laste der Stad vervallen, en die derzelver 15e jaar nog niet hebben bereikt, dewijl boven dien ouderdom, geene kinderen, als weezen of verlaten, bij de stads-bestedelingen mogen genomen worden; en in de tweede plaats, dat aan hetzelve de bewijzen van het overlijden der ouders worden toegezonden;

Als wanneer dat bestuur, na den burgerlijken stand dier kinderen, zooveel doenlijk, te hebben nagegaan, dezelve in de Etablissementen voornoemd zal doen overgaan, en vervolgens de opgave wachten zal, wanneer, en onder welk stamnummer, zij daar zijn opgenomen, eensdeels om daarvan voor zich behoorlijke aanteekening te kunnen houden, anderdeels om de Administratie voor de Stads-bestedelingen te kunnen informeren, dat deze kinderen onder derzelver voogdelijk beheer zijn overgegaan, zoodat die Administratie te zijner tijd, voor de voldoening aan de Nationale Militie zorgen, en in andere gevallen, hunne maatschappelijke belangen ter harte nemen kan.

Dien overeenkomstig heeft het bestuur voorsz. verzocht, dat aan hetzelve het bewijs van afsterven van Jan Uilenhoed, op 24 Junij 1825 overleden, worde toegezonden, en maakt hetzelve zwarigheid om M.S. van der Heijden, naar Veenhuizen te doen overgaan, daar dit meisje, hoezeer het tijdens het overlijden van haar moeder, op den 23 Mei 1823, nog geene 15 jaren oud was, in Julij aanstaande evenwel 19 jaren zal hebben bereikt, en alzoo, om der gevolgen willen, aan den thans intevoeren maatregel, geene terugwerkende kracht dient te worden bijgezet.

De Administrateur van de Gevangenissen en het Armwezen,
Privinaire

Anderen zijn positiever

Een dag later, 30 april 1829, ook invnr 96, kan het ministerie melden dat alle gemeenten in Zeeland positief staan tegenover overplaatsing, zie de brief op deze pagina.
In mei zijn er een heleboel van zulke brieven. Zoals deze van 8 mei 1829, waaruit wordt geciteerd in De kinderkolonie pagina 174, over de plaatsen Ewijk en Zevenaar, invnr 97:


In antwoord op Uwe missive van den 21 februarij 1829, N160, heb ik de eer UwelEd. ie informeren, dat het gemeentebestuur van Ewijk geene bedenking heeft tegen de overgang van W. van Mullekom (N1049) uit de bedelaars-etablissementen, in de kindergestichten, maar dat het Stedelijk bestuur van Zevenaar, instede van dien overgang, de terugzending verlangt van Elisabeth Koenders (N1663).

Omtrent dit laatste verzoek ik UWelEdelen mij hunne consideratien mede te deelen.

De Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen,
Priviaire

Willem van Mullekom

Een blik in de wezenregisters leert ons dat Willem van Mullekom of Mallekom, volgens de kolonieadministratie geboren in 1814, inderdaad op 1 juli 1829 in het kinderetablissement is opgenomen en daar weesnummer 2031 krijgt, maar al snel op 24 mei 1830 de benen neemt en niet meer teruggevonden wordt.

Elisabeth Koenders

Over Elizabeth Koenders, soms Elizabeth Bartha Koenders, volgens de kolonieadministratie geboren op 10 maart 1815, schrijft de permanente commissie op 26 mei 1829, invnr 364, in een niet helemaal compleet bewaarde brief die ineens afbreekt, dat ze het op zich prima vinden als ze naar Zevenaar gaat:

’s Gravenhage, den 26 Mei 1829

De Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid

Gelezen eene missive van den Heer Adminstrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen van den 8sten dezer N. 83

Besluit aan gemelden Heer Administrateur te schrijven de volgende brief

Bij de missive van den 8sten dezer N. 83, heeft UHEG ons gelieven bekend te maken met het verzoek van het stedelijk bestuur van Zevenaar strekkende dat Elisabeth Koenders (N. 1663) in plaats van uit de Bedelaars Etablissementen naar de kindergestchten te worden overgeplaatst, terug gezonden worde. De motieven van dat verzoek niet kennende, zijn wij buiten staat hetzelve te beoordeelen, doch, onzes inziens, schijnen tegen zulk eene overplaatsing geen gegronde bedenkingen te kunnen worden in het………

Maar Elisabeth Koenders gaat uiteindelijk niet naar Zevenaar. Ze wordt per 20 augustus 1829 opgenomen in het kindergesticht, krijgt daar het weesnummer 819 en verlaat Veenhuizen pas met ontslag op 28 maart 1836.

Toestemming

Verder is er onder andere op 14 mei 1829 de navolgende brief, ook invnr 97:


Ik heb de eer UWelEd. bij deze, in antwoord op uwe missive van den 21e Februarij 1829, N160, te autoriseren tot het doen overbrengen van:

Trijntje de Booij (N67)
Christina Corbeau (N453)
Maria Corbeau (N454)
Esther Bijl (N606)
Pieter Lever (N704)
Karel Schoenmaker (N866)
Cornelis Smith (N1011).

uit de bedelaarsgestichten, in de kinder Etablissementen te Veenhuizen.

De Plaatselijke besturen der Gemeenten, tot welke voorschr: personen behooren, hebben in hunne respective overplaatsing voormeld toegestemd.

De Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen,
Privinaire

Groningen

En op 22 mei 1829 komt er bericht over de plannen van de stad Groningen:


Het stedelijk bestuur van Groningen de door UWelEdele voorgestelde overbrenging der bedelaarskinderen Hanna Weber (422), Hillegien en Harmina Dijkman (894 en 898), en Hendrika Hermina Rozenberg (N1345), zoowel in het belang van dezen, als in dat der gemeente beschouwende, welke met hun onderhoud is belast, autoriseer ik UWelEdele, den overgang der vier voormelde personen naar de kinder Etablissementen te Veenhuizen, te doen bewerkstelligen.

De Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen, Privimaire

Maar Amsterdam...

Alleen tussen de Inrichting voor Stadsbestedelingen in Amsterdam en de Maatschappij loopt het niet zo soepel. Op 4 juli 1829, invnr 97, stuurt het ministerie een nogal pissige brief van de gouverneur van Noord-Holland door. Het ministerie schrijft:

Ik heb, in der tijd, den inhoud uwer missive van den 8e Mei ll. N398, ter kennis gebragt van den Heer Gouverneur van Noord-Holland.

Deszelfs gevoelen, over het daarin behandelde onderwerp, is vervat in de missive, waarvan ik de eer heb UwelEd. hiernevens, een afschrift te doen toekomen.

Het zal mij aangenaam zijn, indien door UwelEd. voortaan overeenkomstig het verlangen van genoemden Heer Gouverneur worde gehandeld
.
De Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen,
Privinaire

Bijgevoegd is een door het ministerie gemaakte kopie van een brief van de gouverneur van Noord-Holland dd 19 juni 1829. Daarin wordt het eerder gegeven standpunt alleen maar herhaald, dus de permanente commissie zal daar in een eerdere brief vermoedelijke tegenin gegaan zijn:


Kopij
Aan den Heer Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen.
Haarlem, den 19 Junij 1829

Beantwoordende uwe missive van den 19 mei ll N95, heb ik de eer UwEG te berigten: dat het Stedelijk Bestuur van Amsterdam tegen het voorstel der Permanente Commissie van Weldadigheid, om de kinderen van Bedelaars na het overlijden der ouders, in de eigenlijke kinder Etablissementen over te nemen voor zooverre hunne Stad daarin betrokken is, geene bedenkingen niet alleen gemaakt hebben, maar integendeel dit goede oogmerk der voorschreve Commissie van hunne zijde gaarne willen voorstaan: maar het genoemd bestuur alleen daarbij als eene voorwaarde opgegeven heeft, dat slechts de kinderen beneden en niet boven de 15 jaren, naar de kinder Etablissementen behoorden te worden overgebragt, waarom hetzelve dan ook de voordragt tot gedachte overbrenging van Maria Sybilla van der Heijden, alzoo zij in de maand Julij haar 19e jaar bereiken zal, heeft moeten afwijzen.

Het zoude hetzelve Bestuur aangenaam zijn, dat hetzelve bij eventueele sterfgevallen van dien aard, een afzonderlijk bewijs van het overlijden der ouders van zoodanige kinderen gewierd, en dat wanneer derzelver burgerlijke stand geregeld, of zoo ver dit doenlijk is, in order zal zijn gebragt, hetzelve tevens wierd medegedeeld, wanneer, en onder welk stamnummer, dezelve in de kinder Etablissementen zijn overgegaan.

Ik neem de vrijheid UwEG te verzoeken, des Bestuurs verlangen wel bevorderlijk te doen willen zijn.

De Gouverneur van Noord-Holland,
(getd) van Tuijll

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Binnenlandsche
Zaken,
Wenckebach

In een notitie met potlood op de brief gaat een lid van de permanente commissie in op de gevraagde overlijdensverklaringen: 'Dit hebben wij reeds geweigerd, zie 8 mei ll N398. Dit wordt immers door ons aan Armwezen in de mutatiestaten opgegeven. Waarom zouden wij dubbele en lastige formaliteiten op ons nemen? Dat Armwezen het zelf opgeve.'

Uiteindelijk zullen er in de geschiedenis van het kindergesticht zo'n 350 in de bedelaarsgestichten ouderloos geworden kinderen overgaan naar de kinderetablissementen. Enkele van hen zijn te vinden via de overzichtspagina Kinderkolonie onder het kopje 'Ouderloze bedelaarskinderen'.