Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



Twee Groningse meisjes klagen over de toestand in Veenhuizen, maar het hoeft niet serieus genomen want ze zijn pas tien jaar en het is ze alleen te doen om geld voor 'snoeperijen'


De 'brief van de meisjes is niet in het koloniearchief bewaard gebleven, alleen de reacties erop. Eerst de directeur der koloniŽn die op 13 februari 1829, in een brief met nummer N84A, invnr 95, ssn de permanente commissie stuurt:


3e de Missive van den Gouverneur van Groningen, met de beide brieven van twee kinderen uit het 1ste Etablissement te Veenhuizen, met berigt dat, het gebleken is, die kinderen beide slegts 10 jaren oud zijn, en de brieven door een ander kind van 14 jaar in de zaal hebben doen schrijven, zoodat dit als geheel van deze kinderen zelve afkomstig schijnt te moeten worden gehouden, en alleen ten oogmerk gehad heeft om een weinig geld tot snoeperijen te bekomen.
De kinderen zijn over deze hunne onvoorzigtige en verkeerde handelwijze onderhouden, terwijl de ongegrondheid der klagten bij de Perm. Komm. wel geen betoog zal nodig hebben.


Die gegevens gebruikt de permanente commissie als ze op 23 februari 1829, invnr 364, naar Binnenlandse Zaken schrijft met een reactie op de brieven:


ís Gravenhage, den 23 Febr 1829

Wij hebben de eer UwHEG hiernevens terug te zenden de Missive van den Heer Staatsraad Gouverneur te Groningen met de daarbij gevoegde twee brieven van kinderen uit de Gestichten te Veenhuizen bij apost. dispositie van den 1e Januarij JL. N. 53 in onze handen gesteld.

Juist zoo als de Heer Gouverneur vermoedde is het gebleken, dat die brieven niet door de kinderen zelve, welke naauwelijks 10 jaren oud zijn, maar door een ander kind van omstreeks 14 jaren oud, voor hen geschreven zijn, en dit wel enkel met oogmerk, om eenig geld voor Snoeperijen te bekomen, het welk dan onderling zoude gedeeld worden.

Den brief schrijver is het verkeerde en strafwaardige zijner handelwijze onder het oog gebragt, het geen wij vertrouwen, dat voldoende zal zijn, om diergelijke verspreiding van ongegronde klagten naar het vervolg voor te komen.

De Heer Staatsraad Gouverneur heeft ons, met de mededeeling dier brieven aan UwHEG genoegen gedaan, alzoo wij hierdoor in de mogelijkheid zijn geweest een kwaad te keer te gaan, het welk indien het zijn doel bereikt had, gewis navolging zou gevonden hebben.

De P.K. van W
Namens Dezelve