Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



Binnenlandse Zaken heeft uitgezocht waarom het Koninklijk Besluit van 1827 niet werkt en er nog steeds te weinig weeskinderen naar Veenhuizen komen


Onderstaande brief van de administrateur voor het armwezen bij Binnenlandse Zaken is gedateerd 22 april 1829 en heeft nummer N64. Hij hoort natuurlijk bij de ingekomen post, maar is terechtgekomen bij de uitgaande post, invnr 365.


No.64

ís Gravenhage, den 22 April 1829

De ondervinding zal UwEd zeker, evenals mij, overtuigd hebben, dat de uitvoering van ís Konings Besluit van den 17e augustus 1827 N125, niet kan gezegd worden aan de verwachting voldaan te hebben, vermits de bevolking der Koloniale Gestichten, daardoor niet zoo veel heeft toegenomen, als men zich had vermeend te mogen vleijen.

Deze opmerking heeft mij bewogen om de aandacht der Heeren Gouverneurs op dit onderwerp interoepen, bij eene vertrouwelijke circulaire, met uitnoodiging tevens, om mij derzelver denkbeelden mede te deelen over de middelen, die, naar hun inzien, aangewend zouden kunnen worden, om de ontduikingen of afwijkingen van het voorsz. besluit, die maar al te menigvuldig zijn voor het vervolg voortekomen.

Ik heb daarop de antwoorden ontvangen, welke UWelEd. hiernevens zullen vinden, en waaruit UwEd zullen ontwaren, dat als de voornaamste oorzaken, die de bevordering der Kolonisatie in de weg staan, worden opgegeven:

Het te hoog beloop der vestigingskosten voor kinderen te betalen, als overtreffende verre hetgeen, waarvoor zij in de meeste gewesten kunnen onderhouden worden.

Het gebrek aan een stellige bepaling van het juiste tijdstip, op hetwelk men in het regt tot gratis plaatsing zal treden, en de onzekerheid of men zelfs, wanneer dat regt werkelijk zal bestaan, wel in de gelegenheid zijn zal daarvan gebruik te maken.

De opleiding van alle kinderen zonder onderscheid tot de landbouw, met uitsluiting van alle andere ambachten, welke zij gedurende hun verblijf in de bestaande Godshuizen dikwerf met zoo veel vrucht aanleeren, dat uit die gestichten vele gezeten burgers voortkomen; terwijl zij, na het verlaten der Kolonien, soms bij gebrek aan veldarbeid en ontbloot van de kennis van eenig ander landwerk, als middel van bestaan, in eenen ongunstigen toestand kunnen geraken - waarbij komt de overtuiging die men koestert, dat de kinderen niet beter of niet zedelijker in de Kolonien, dan in de thans bestaande Gestichten zouden opgevoed worden.

De aan bloedverwanten toegekende bevoegdheid, om de voor de opzending naar de Kolonien bestemde kinderen te reclameren; de verspreiding van nadeelige geruchten door kwalijk denkenden, hetgene van genoegzaam gewigt geacht wordt, om door sommige Gouverneurs te doen voorstellen, om, bij een opzettelijk daartoe uittegeven en te verspreiden werkje, de daardoor ontstaande indrukken te trachten weg te nemen.

Bij dat alles komt nog het vooroordeel der bloedverwanten, tegen de verwijdering der kinderen; de verre afgelegenheid der Kolonien van sommige gewesten, hetwelk ook soms tot hooge transportkosten aanleiding geeft, en andere min gewigtige schijnende motiven.

De bijgaande rapporten behelzen wijders veel uiteenloopende voorstellen, ten aanzien der middelen, die er zouden dienen aangewend te worden, om den staat van zake zoo veel moogelijk te verbeteren.

Bij een derzelve wordt slechts omtrent de bedelaars in eenige ontwikkeling getreden, terwijl in geen enkel, over de plaatsing van huisgezinnen, of andere enkele personen, dan bedelaars gesproken wordt, hoezeer het toch aan allen, uit het besluit van den 17e  augustus 1827 bekend is geworden, dat ook deze door het Gouvernement geplaatst kunnen worden, zonder tusschenkomst der plaatselijke subcommissien.

Omtrent dit laatste punt komt het mij noodzakelijk voor, de Provinciale besturen opzettelijk te onderhouden; alvorens daartoe overtegaan zou het mij echter aangenaam zijn door UwEd. eenigzins omstandig te worden geinformeerd: waar, en op welken voet, zoodanige. door het Gouvernement gezondene huisgezinnen of enkele personen, geplaatst en verzorgd worden, en speciaal, of deswege eenig onderscheid bestaat tusschen deze, en tusschen diegenen, welke door de plaatselijke subcommissien naar de Kolonien worden gezonden, en zoo ja, waarin dit onderscheid gelegen is, en waarop hetzelve gegrond is.

Wijders verzoek UwEd den inhoud der hierbijgaande stukken, in aandachtige overweging te nemen, en mij Uw gevoelen over de daarin geuite denkbeelden mede te deelen, onder bijvoeging van alle zoodanige verdere consideratien als Uw Ed zullen vermeenen te kunnen strekken, tot voorlichting der vraag, welke de meest gepaste middelen zijn, om de bevolking der Kolonien meer nabij te brengen aan de volledigheid, van welke zij nog zoo ver verwijderd is; ten einde ik vervolgens zou kunnen nagaan, wat daartoe van mijne zijde verrigt zou kunnen worden.

Uw Ed gelieven dit gewigtig onderwerp, zoo veel mogelijk te beschouwen in verband tot de ophanden zijnde nadere overeenkomst, tusschen het Gouvernement en de Maatschappij, uit hoofde der expiratie, op ultimo december dezes jaars, van den proeftijd van het bij het kontrakt van 1827 overeengekomene, op welk punt ik bij deze gelegenheid UwEd aandacht inroepe, zullende ik daaromtrent bij tijds, Uwe voorstellen tegemoet zien, en inmiddels UwEd antwoord op deze inwachten, onder terugzending der bijgaande stukken.

De Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen
Priviaire

Bij de commentaren in deze brief is in de kantlijn bijgeschreven welke provincies wat gezegd hebben. De permanente commissie heeft ook aangetekend dat ze deze brief op 8 juni 1829 bespreekt, maar daar zal niet veel uitgekomen zijn.