Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



Dat onder de in de Kolonien gevestigde wezen te Amsterdam thuis behoorende, het algemeen gevoelen heerscht, dat, wanneer zij in de termen vallen om voor de nationale Militie te moeten loten, geen hunner die zonder ligchaamsgebreken is op vrijstelling te hopen heeft

De onderstaande kwestie wordt beschreven op de pagina's 220-222 van De kinderkolonie. Hieronder de stukken, maar eerst de medespelenden. Er zijn drie kinderen Emanuel:
 Jan,
Jansje en
Jacobus. 


7 februari 1835

Ingekomen post invnr 156 scans 135-137. Brief van het ministerie BZ aan de permanente commissie met bijlage Amsterdam (zie onder), door de pc bijgeschreven 16 Februarij 1835 N31 in advies, nader 17 dato N1

No.130, 4e afdeling
’s-Gravenhage, den 7 Februarij 1835
                       
Bij derzelver missive van den 14 October 1833 no.4 hebben UWelEdelGestrenge ter mijner kennis gebragt, dat onder de in de Kolonien gevestigde wezen te Amsterdam thuis behoorende, het algemeen gevoelen heerscht, dat, wanneer zij in de termen vallen om voor de nationale Militie te moeten loten, geen hunner die zonder ligchaamsgebreken is op vrijstelling te hopen heeft,

dat aan dit gevoelen dikwerf in hunner gesprekken lucht wordt gegeven, en zulks dan gepaard gaat met de uitdrukking dat hun belang door hunne besteders verwaarloosd of aan dat van anderen wordt opgeofferd,

welk vermoeden een nieuw voedsel had ontvangen door de indienststelling van zekeren Jacobus Emanuel die aanspraak op vrijstelling zoude hebben gehad uit hoofde zijn eenige broeder Johannes Emanuel in militaire dienst was overleden,

welke jongeling niet dan zeer tegen zijn zin was vertrokken, temeer daar de Militieraad in Drenthe hem verzekerd had dat hij aanspraak op vrijstelling zou hebben, wanneer hij kon bewijzen dat zijn broeder als militair overleden was en hij geenen anderen broeder had,

hetwelk te zijner tijd ter kennis is gebragt van den Heer Schermacher te Amsterdam die belast is met de waarneming van de belangen der stads bestedelingen, doch waarop geen ander antwoord was ontvangen dan een mondelinge boodschap dat Emanuel nog wel een jaar vrij zou zijn en men er volgend jaar zou zien wat er aan te doen.

Het belang der zaak heeft mij genoopt om dienaangaande een naauwkeurig onderzoek te laten doen en het gevolg daarvan is geweest, dat het vermoeden van de Amsterdamsche uitbestedelingen, dat hunne belangen door derzelver uitbesteders verwaarloosd, of aan die van anderen opgeofferd zoude worden ten eenenmale ongegrond is bevonden,

en dat de designatie van den loteling J. Emanuel waarop men zich beroept het noodwendig gevolg is van de onbekendheid met deszelfs familie, hetgeen veroorzaakt heeft dat de tot staving der gepretendeerde vrijstelling, bij de wet gevorderde stukken met geene mogelijkheid konden worden geproduceerd.

Overigens vertrouw ik dat aan UWelEdelGestrenge uit de kopijelijk hiernevens gevoegde missive van Heeren Burgemeester en Wethouders van Amsterdam voldoende zal blijken dat de Heer Schermacher wel verre van nalatig te zijn in de waarneming der belangen van de Amsterdamsche uitbestedelingen integendeel niets onbeproefd laat om dezelve zoo veel als in zijn vermogen is te behartigen,

en het is dan ook niet vreemd dat Heeren Burgemeesters en Wethouders van Amsterdam, onder voornoemde kolonisten heerschende vermoedens zoo wel voor hun Edelachtbaren als voor den Heer Schermacher hoogst onaangenaam zijn, den wensch uiten dat door de Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid van de in de gestichten opgenomen Amsterdamsche jongelingen die op vrijstelling aanspraak maken eene lijst werd opgemaakt en aan UEdelachtbaren toegezonden, teneinde voor de vereischte bewijzen, zoo die niet voorhanden zijn, in tijds te kunnen zorgen.

Dit verlangen mij allezins billijk en doelmatig voorkomende heb ik de eer UWelEdelGestrenge te verzoeken hetzelve in overweging te nemen en daartegen geene bedenkingen hebbende aan Heeren Burgemeester en Wethouderen van Amsterdam de bedoelde lijst te doen geworden, met aanwijzing tevens van al zoodanig bijzonderheden als de Permanente Commissie vermeenen zal dat tot bevordering der Militie belangen van de uitbestedelingen kunnen strekken.

Uit het bovenstaande zullen UWelEdelGestrenge kunnen ontwaren dat  er ten aanzien van J. Emanuel geen verzuim of nalatigheid heeft plaatsgehad, maar dat de bij de Wet ter bekoming van vrijstelling gevorderde bewijzen niet hebben kunnen worden overgelegd hetgeen zoo het schijnt zelfs nu nog niet zou kunnen geschieden, zoo dat op deszelfs designatie als volkomen op de bepalingen der Wet berustende niet kan worden teruggekomen.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,
van Doorn



Bijgevoegd brief van Amsterdam over de kwestie Emanuel en over vrijstelling van militaire dienstplicht aan het ministerie BZ dd 13 november 1834 (invnr 153 scans 173-178):

Aan den Heere Staatsraad, Gouverneur van Noord-Holland

Kopij

Amsterdam, den 13 November 1834

Wij hebben ten gevolge van UHoogEdelgestrenge missive dd 7 dezer N. 11/1324 geleidende de hierbij teruggaande missive van de permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid dd 14 October 1833 N. 4 met de beide daarbij behoorende stukken den heer Heer F. Schermacher, over het daarin betrekkelijk Jacobus Emanuel, voorkomende, onderhouden, en ons omtrent deze zaak door denzelven laten inlichten.

Wij zullen deszelfs berigt hier laten volgen, en daarna terugkomen over de aanmerkingen, die door de voormelde kommissie wordt gemaakt, over het al of niet doen bevorderen der belangens van de Jongelingen bij dezelve ten lasten dezer stad besteed, ingeval deze in de termen vallen van aan de Nationale Militie te moeten voldoen.

Uit het berigt van Schermacher, is ons gebleken, dat op den 27 December 1819 door het Bestuur van het voormalige Aalmoezeniers weeshuis dezer stad, als weeskinderen zijn opgenomen geworden zekere:

Jan Emanuel destijds volgens opgave 9 Jaar oud
Jansje Emanuel destijds volgens opgave 7 Jaar oud en
Jacobus Emanuel destijds volgens opgave 4 Jaar oud

dat echter van deze drie kinderen, behalve de bewijzen dat derzelver vader Jacobus Emanuel en derzelver moeder Francijntje de Raad is overleden, geene verdere bewijzen zijn gevonden,
constateerende of dezelve uit een wettig huwelijk zijn verwekt,
waar en wanneer dezelve zijn geboren,
noch of dezelve nog andere Broeders of zusters bezaten – omtrent deze drie kinderen, niet den waren, maar slechts den vermoedelijken ouderdom bekend zijnde moesten dezelve geacht worden, te zijn geboren:

Jan Emanuel, in het Jaar 1810
Jansje Emanuel, in het jaar 1812
Jacobus Emanuel, in het jaar 1815

en zijn dus die kinderen vervolgens in de Gestichten der Maatschappij van Weldadigheid, ten lasten dezer stad opgenomen, en gebragt op de Registers der geborene van N. 1810, 1812 en 1815 de dag der geboorte niet bekend zijnde, is den 27 December, als waarop zijlieden in 1819 in alimentatie zijn aangenomen, volgens gebruik, als die hunner geboorte aangemerkt. Jan Emanuel, in 1829 in de termen vallende, aan de Nationale Militie te voldoen, is dezelve door den Heer Schermacher voor de Administratie der stads bestedelingen alhier op de Registers der Nationale Militie ingeschreven, in welk jaar bij de Loting aan denzelven N. 2618 is ten deel gevallen,- voor een jaar vrijgesteld zijnde, is dezelve in dato den 16e Maart 1830 gedesigneerd, en volgens UHoogEdelgestrenge missive dd 23 November 1832 N. 263/18322, als sergeant bij de 2e Kompagnie 1e Bataillon der 8e Afdeeling Infanterie, den 11e October van dat Jaar te Maastricht overleden. Schermacher die zeer veel belang in dezen Jongeling stelde, in het Jaar 1828 zoo op voorschrijving en aanbeveling van den WelEerwaarde Heer Heerspink in Leven ??? te Veenhuizen, als van den Heer H. A. Zwarts, onderwijzer van het Eerste Gesticht (waarvan ons de bewijzen, door hem zijn geproduceert, en die nog in het bezit is van deszelfs acte van algemeene toelating als onderwijzer van den derden rang), deed destijds alle pogingen, om denzelven alhier op de Gereformeerde Diaconie scholen, als ondermeester te plaatsen, ondervroeg hem hier zijnde, na het Huwelijk zijner ouders, naar deszelfs geboorte of Doop en die van deszelfs Zusters en Broeders, ten einde de wegens de voor hun ontbrekende bewijzen van afkomst en Burgerlijke Stand te kunnen erlangen, waarin echter dezelve niet is geslaagd, immers volgens deszelfs verklaring, wist deze Jongeling hem dienaangaande geene inlichtingen te geven, en moest Schermacher alzoo berusten, en alleen die, welke hij uit de Registers van het voormalige Aalmoezeniers weeshuis dezer stad had geput, men zie deswegens zelfs het Extract uit het Stamboek wegens denzelven en wel de 3e Kolom.

Jansje Emanuel, den 26e April 1832 te Veenhuizen ontslagen zijnde, kwam hier, en verkreeg door tusschenkomst van Schermacher een dienst bij een zijner bekenden te dezer stad, en hervatte met dat meisje, een nader onderzoek na hare afkomst enzo: doch zonder gevolg.

Jacobus Emanuel, de bedoelde persoon, die na luid van deszelfs vermoedelijken ouderdom, eerst in het Jaar 1834 in de termen viel van aan de Nationale Militie te voldoen, stond bij het sluiten der Registers voor de Ligting van het Jaar 1833 op het punt van daarop niet gebragt te worden, toen Schermacher op eene zeer toevallige wijze van een hunner bloedverwanten, destijds alhier op de Vijzelgracht N: 44 woonachtig, ontdekte, en van die eene behuwd-Nicht van deze kinderen vernam, dat Jacobus, niet in het Jaar 1815 maar den 20e Augustus 1814 was geboren, en aanleiding gaf na zich hiervan te hebben overtuigd, denzelven op het Register der Ligting van 1833, te brengen, van die bloedverwande, die sedert is overleden betuigd Schermacher, aangaande het huwelijk der ouders van die kinderen, hoezeer ook daarna te hebben gevorst niets naders vernomen te hebben, en wist die behuwd Nicht, hem alleen nog op te geven, dat Johannes niet in 1810, maar den 16 September 1809 was geboren, welke alzoo een Jaar te laat aan de Nationale Militie heeft voldaan gehad, Schermacher niet in de mogelijkheid zijnde (ofschoon hem door die bloedverwante was berigt, niet beter te weten, als dat geen andere kinderen, dan de voormelde drie, door derzelver ouders waren nagelaten) bewijzen te produceeren, die tot vrijstelling van Jacobus Emanuel konde strekken, verklaard hierover met Heeren Militie Kommissarissen gesproken te hebben, doch niet kunnende bewijzen, als het overlijden van Johannes Emanuel, bleven dus alle deszelfs bemoeijingen vruchteloos, en moest dezelve alzoo deze zaak, aan het Lot overlaten.

In die tijd of kort daarna, berigt Schermacher, van den Heere J. H. van Wolde, deszelfs brief dd 4 April 1833 ontvangen te hebben, doch aan deszelfs verlangen vermeld onder § 2 namelijk het attest La U, met de aankleven van dien, niet kunnende produceren, gaf dezelve aan den Heer van Wolde, door de ontslagene Stads Bestedelinge, de op het Instituut te Wateren bij dien Heer in dienst getredene Johanna Maria Brunenbach, met het einde van de maand Mei 1833 te kennen, niet in de mogelijkheid te zijn van aan deszelfs verlangen te kunnen voldoen, doch dat hij Schermacher dewijl destijds Jacobus Emanuel nog niet gedesigneerd was, de hoop koesterde, dat aan denzelven welligt een Jaar uitstel zoude verleend worden, welke tijd hij zich voor denzelve ten nutte zoude maken, die Jongeling sedert den 13e Augustus 1833 als Miliciën gedesigneerd zijnde, heeft Schermacher het missen der bewijzen die tot het vrijstellen van iemand voor de Nationale Militie gevergd worden, voor dien Jongeling niets meer kunne verrigten.

Uit dit berigt, waarvan wij geen reden hebben de waarheid in twijffel te trekken, zal UHoogEdelGestrenge zoo wij vertrouwen, zelve wel kunnen opmaken, of de Heer Schermacher zich in deze aan eenig verzuim in het waarnemen der belangens van dezen Jongeling noch van die van zijnen broeder of zuster heeft schuldig gemaakt? en of de mededeeling van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid, die dit geval, zoo als het aan haar is voorgedragen, ten voorbeelde stellende, te kennen geeft dat de , bij dezelve, ten lasten dezer stad opgevoed wordende Amsterdamsche Wezen, het vermoeden koesteren, dat hun belang, bij de Nationale Militie, door hunne Besteders verwaarloosd of aan dat van andere opgeofferd wordt aangemerkt kan worden, als eene daadzaak, op hegte gronden rustende?- Omtrent dit onderwerp zij het ons vergund aan te merken, dat dit vermoeden ongegrond is. Voor eerst hetzij, dat een Stads Bestedeling in de Gestichten tegenwoordig, of daaruit ontvlugt is voor deszelfs inschrijving te zijner tijd wordt zorg gedragen, ten tweeden niet alle de Amsterdamsche kinderen zijn wezen. Vele zijn vondelingen, verlatene kinderen en wezen buiten een wettig Huwelijk verwekt, en kunnen toch deze door het in dienst hebben van een Broeder, geen aanspraak op vrijstelling maken- ten derden, dezulke van welke de gevorderde bewijzen tot vrijstelling kunnen bij gebragt worden, kunnen zich vijlig op de waarneming hunner belangens verlaten, getuigen de vrijstelling van Rollert Willieck als milicien ten gevolge dat derzelver ouder Broeders in dienst zijn opgenomen, en wier belangens door Schermacher zijn behartigd.

Wat de kinderen voor het Jaar 1828 opgenomen betreft, wij erkennen gaarne, dat men voor dien tijd met minder oplettenheid als sedert door Schermacher wordt te werk gegaan, voor de vereischte bewijzen heeft gezorgd en dat wanneer niet door de belanghebbende zelve eenige inlichtingen verstrekt worden geen pogingen aan te wenden zijn, de bewijzen die gevergd worden, te produceeren.-

Opzettelijk heeft er echter nimmer eenig verzuim plaats gehad, en zijn wij te wel overtuigd, dat Schermachter in deze zich alle moeite geeft, ja niets onbeproefd laat, voor de belangen der kinderen, hetzij bij de Nationale Militie, bij ontslag of opkomen van Ervenissen te waken.

Om echter alle verdere vermoedens en aanmerkingen voor te komen, wenschen wij om der goede zaak willen, dat van de aanwezige Amsterdamsche Jongelingen opgenomen in de gestichten der meergemelde Maatschappij, die op vrijstelling van de Nationale Militie aanspraak maken, door de gedachte Kommissie een Lijst wierd geformeerd, ten einde voor de vereischte bewijzen, zoo die niet voor handen zijn, in tijds te kunnen zorgen, en om meer soortgelijke aanmerkingen, die toch voor UHoogEdelGestr. voor ons en voor een Ambtenaar, die zich sedert vijf en twintig Jaren in dienst der stad, onberispelijk heeft gedragen, hoogst onaangenaam zijn.

Wij nemen alzoo de vrijheid UHoogEdelGestrenge instantelijk te verzoeken, door UHoogEdelGestrenge’s tusschenkomst te bewerken, dat ons die Lijst, door de gedachte Kommissie worde ingezonden. Aan den veel vermogende invloed van UHoogEdelGestrenge moeten wij wijders de bewerking overlatende Jacobus Emanuel, als Milicien, voor de Ligting van het Jaar 1833 te doen vrijstellen.

Burgemeester en Wethouderen der Stad Amsterdam
(Geteekend) F. van de Poll

Ter ordonnantie van dezelven
(Geteekend) M. J. Backer

Voor eensluidend Afschrift
De Secretaris Generaal bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken
(handtekening)


Jacobus Emanuel trouwt met ene Johanna van der Stok, voor zo ver ik kan zien gaan alle kinderen snel dood.

Jansje Emanuel trouwt met ene Jobst Heinrich Hottmar (suikerbakker)


Naar aanleiding van een en ander neemt de permanente commissie een besluit.