Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



April 1837: de directeur rapporteert over wezen met bevroren tenen en de gevolgen daarvan


Blijkbaar heeft de permanente commissie op 8 maart 1837 N13 (invnr 458, daarvan zijn geen scans) de directeur opdracht gegeven om uit te zoeken hoe het zit met vijf kinderen uit het wezengesticht die aan bevroren tenen zouden zijn bezweken. Een maand later doet hij verslag. Dat verslag wordt beschreven op pagina 259-261 van De kinderkolonie. Hier de volledige tekst van zijn brief en wat aanvullende informatie.

Directeur Jan van Konijnenburg gaat veel verder dan alleen het nagaan van die vijf kinderen, hij trekt algemene conclusies over de opvang van de weeskinderen. Hij concludeert dat de kinderen 'geheel aan zich zelven overgelaten zijn'. Zijn brief met het nummer N778 bevindt zich in invnr 182, de scans 265-270:


Frederiksoord, den 8 April 1837
       
Het onderzoek hetwelk UWEdG mij, bij brief van den 8e Maart jl N13 hebben opgedragen, heb ik zelf niet voor in de vorige week te Veenhuizen kunnen doen, waarvan ik thans de eer heb UWEdG verslag te geven.

De vijf bedoelde kinderen, welke aan bevriezing aan de voeten geleden hebben zijn de volgende:

Jan Fredrik Weber, N1533, den 4 Januarij in de ziekenzaal opgenomen. Van de eene voet de toonen afgenomen en van het andere been een gedeelte der voet, tusschen de voor en navoetsbeenderen, is daarvan nog niet hersteld.

Eduard van Heemessen N2171, den 13 December opgenomen, met kennelijk bevroren toonen en gestorven den 4 Maart jl aan bloedspuwing, terwijl de voeten bijna genezen waren.

Willem Kwak, N1739, ingekomen 28 November ll., met ligte aandoening der toonen, doch is bijna geheel genezen.

Catharina Cornelia van Heemissen, N2170, den 31 December ingekomen en nog niet hersteld. Heeft de toonen verloren.

Nicolaas Boot, N76, den 10 Januarij ingekomen en den 13 Februarij aan de gevolgen van bevroren toonen en toenemende ettergezwellen overleden.

De drie eerste hebben behoord tot de kinderzalen N7 en 8, thans onder Steenmeijer staande, en de twee laatste tot de zwakke kinderzalen N15 en 16, dezen winter door van den Bosch en thans door van Geffen bediend wordende.
 
Zoo wel de opziener der ziekenzalen, als de Geneesheer, verklaart, dat de genoemde lijders met minder of meer zwart bevroren toonen zijn opgenomen geworden en de Geneesheer heeft mij verzekert, geen grond te hebben, om genoemde zaalopzieners van verzuim te beschuldigen, daar bevriezing, bij zulke zwakke lijdertjes, ligtelijk en snel kan plaats hebben en het schier niet bemerkt wordt vr dat de zwarte kleur dit kenbaar maakt.

Ik heb mij ook de plaatsen laten aanwijzen, waar die kinderen in de hangmatten gelegen hebben en slechts n hunner, W. Kwak, heeft, bij het raam, en dus eene minder gunstige plaats gehad.

Het verwondert mij, intusschen, zeer, dat mij daarvan hoegenaamd geen kennis gegeven is; dat zelfs de Adjunct-Directeur daarmede schier even onbekend is gebleven, zoodat hij onbewust was van het getal dier lijders en van den afloop dier onheilen; waaruit ik dus zou moeten opmaken, dat de Geneesheer of er weinig aan gehecht heeft, of althans eene opzettelijke kennisgeving daarvan aan den Chef van het Gesticht onnoodig heeft geoordeeld.

Hem vragende, waarom hij dr. Folmer, van Assen, dezen winter over die lijders niet geconsulteerd en de afneming van een gedeelte der voet, van dien eenen, niet onder zijne adsistentie verrigt had, bekwam ik ten antwoord, dat er toch niets anders aan te doen ware geweest en die afneming geene amputatie is waartoe hij onbevoegd zou wezen.

Ik kan niet zeggen, dat een en ander pleit voor de voorzigtigheid en naauwgezetheid van den Geneesheer. Van den anderen kant is het even waar, dat de zorg zich eigenlijk voornamelijk behoort te bepalen tot het zoo veel mogelijk voorkomen van zulke en andere ongemakken, waaraan, gelijk ik meermalen zeide, eene menigte kleine kinderen bij dit Gesticht onderhevig zijn.

De levensgeesten verminderen zigtbaar, alle lust ontzinkt hen, daarop bemerkt men gezwollen voeten bij eene algemeene vermagering, ongesteldheden aan borst, of ook wel uitwendige, ontwikkelen zich spoedig.

Zij krijgen koorts en zoo verliest men de een na de andere! Dat nu op zulke kinderen de geringste koude eene sterke uitwerking heeft laat zich, dunkt mij, gemakkelijk begrijpen en ik wil zelfs geloven dat eene bevriezing der toonen bij zulke lijders door hen zelf niet eens dadelijk wordt waargenomen.

Te betreuren is het, dat het hierin aan genoegzame opmerkzaamheid en een scherp doorzigt van de genen, die dagelijks met deze kinderen omgaan, schijnt te ontbreken, om, op goede gronden, te kunnen aanwijzen, wat daarvan de eerste oorzaak zij, daar voorziening of te hulp koming in de daaruit voortgevloeide gevolgen gewis weinig baat kan aanbrengen.

Ik voor mij, houde het daarvoor, dat er slechts ne hoofdoorzaak van dat ongunstig resultaat der verpleging van kleine kinderen te Veenhuizen plaats heeft en andere omstandigheden slechts min of meer daarop ongunstig werken kunnen.
De voeding zoo die thans voor de zwakken ingerigt is, komt mij voldoende voor.
De Adjunct Directeur Poelman acht de kinderen te dun gekleed en wilde ze ook een wollen onderbroek doen dragen: maar ik gaf hem dezen keer mijne bevreemding te kennen, na het zien van onderscheidene van die kinderen, alleen met een linnen broek gekleed, in plaats van met een pijen.

In de kantlijn is hier met potlood bijgeschreven, vermoedelijk door een lid van de permanente commissie: Dit bewijst van geringe toezicht der Directie, waaraan over het geheel wel het meest te wijten zal zijn. Wij kunnen dit wel laten gevoelen.

Anderen zeggen, dat deze kleine niet genoeg in de lucht zouden komen, doch ik vond de deuren hunner zalen open en een groot getal in de zon zich zitten te koesteren; doch z in een gekrompen, hunkerende, dat hunne ziekelijke gesteldheid in het oog viel en ik niet zou durven zeggen, of de koude lucht hun voor- dan wel nadeelig was.

De Geneesheer weet de dikke voeten aan te enge klompen en ik kan niet ontveinzen, dat ik mij over zulk eene ongegronde en oppervlakkige opmerking van hem zeer verwonderde!

Doch, om geen meer aanmerkingen van weinig of geen belang door te loopen, zal ik dan eindigen met UWEdG mijn thans gevestigde denkbeeld daaromtrent voor te dragen, hierin bestaande, dat de eerste of hoofdoorzaak der ziekelijkheid van de kleine kinderen te Veenhuizen geen andere is dan gebrek aan beweging en kinderlijke bezigheid, in eentoonige localen; waar door het leven, door gemis van alle indrukken van buiten, niet behoorlijk wordt opgewekt en onderhouden, de spijsverteering verzwakt, eene algemeene werkeloosheid in al de ligchaamsorganen ontstaat en vervolgens de kiemen van ziekten of gebreken zich gemakkelijk kunnen ontwikkelen en waarvan dan het gevolg niet anders zijn kan dan het is.

Het is toch het eenige wezenlijke onderscheid, dat er bestaat tusschen de verpleeging te Veenhuizen en die overal elders, dat, namelijk, de kinderen dr bij groote getallen genoegzaam geheel aan zich zelven overgelaten zijn, daar de zaalopziener noch ook de zaalwachten, tijd noch lust heeft, om zich met de kinderen behoorlijk bezig te houden.

Integendeel vermanen of dwingen deze hen vaak, om stil te zitten en geen beweging te maken, ten einde eene zoogenoemde zindelijkheid en goede orde in de zalen te kunnen vertoonen!

Het schoolonderwijs, hetwelk sommigen gegeven wordt, is voor hen geen gepaste bezigheid en de vrijheid, welke hun, overigens, gelaten wordt, om te spelen is, bij gemis van genoegzaam en doelmatig speelgoed en van goede voorgangers, onvoldoende.

Z beginnen zij al spoedig te zitten en te hangen, is er bij hen geen natuurlijke verwarming, geen opgeruimdheid, geen verkwikkende slaap, geen goede spijsverteering, en de ziekelijkheid is dr!

Om nu hierin te voorzien is zeer eenvoudig, gemakkelijk en onkostbaar, door de plaatselijke Directie dat idee van de zaak in te prenten, met den stelligen last om daarnaar tewerk te gaan.
Het getal zaalwachten bij de kleine (waarvan hier alleen sprake is) zoodanig te vermeerderen, dat al de kinderen van de morgen tot den avond, bij tusschenpozen, gezet worden bezig gehouden en vermaakt met allerlei spellen, van mindere of meerdere ligchaamsbeweging, als tollen, hoepelen, balgooijen en marcheren; al het welk, zoo wel binnen als buiten de zalen minder of meer goed gebeuren kan, en waartoe eene uitgave van 10 centen, s maand, per kind wel toereikend zal wezen.

In de kantlijn is hier met potlood bijgeschreven, vermoedelijk door een lid van de permanente commissie: vroeger heeft men iets dergelijks gedaan, schijnbaar zonder gevolg. Intusschen kan ik mij opnieuw wel met die denkbeelden vereenigen. Lang en veel malen is die zaak behandeld en nimmer een doorgaans houdbaar gevoelen gevonden. Goed bevinden, ofschoon wij ons daarover niet zoo veel voorstellen.

Mogten UWEdG in mijn ontwikkeld gevoelen kunnen deelen en het voorgestelde goedkeuren, dan zal ik, daarvan kennis bekomende, voor de uitvoering zorgen, terwijl ik, in alle gevallen, voortaan mijne bijzondere aandacht op deze kinderen vestigen zal, wier toestand waarlijk mededogen verwekt.

De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg


Eerst de vijf met naam genoemde kinderen uit de brief:

● Jan Hendrik Weber (door Van Konijnenburg Jan Fredrik genoemd) heeft weesnummer 1533 in het wezenregister met invnr 1413. Zie op deze pagina hoe de scans van de registers te bereiken. Hij is volgens die registratie geboren op 29 April 1828, hij is hervormd en afkomstig uit Amsterdam, dat hem op 19 juni 1836 naar het kindergesticht heeft gebracht. Hij zal op 26 juli 1847 overlijden.
● Eduard van Hemessen (door Van Konijnenburg Heemessen genoemd) heeft weesnummer 2171 in invnr 1413. Hij is geboren op 3 oktober 1824, hij is evangelisch luthers en afkomstig uit Amsterdam, dat hem op 29 september 1836 naar Veenhuizen heeft gebracht (tegelijk met zijn hieronder genoemde zus). Hij is 4 maart 1837 overleden.
Willem Kwak heeft weesnummer 1739 in invnr 1413. Hij is geboren 3 april 1829, hij is hervormd en afkomstig uit Amsterdam, dat hem op 10 mei 1836 naar het kindergesticht heeft gebracht. Hij zal op 20 april 1837 overlijden.
● Catharina Cornelia van Hemessen heeft weesnummer 2170 in invnr 1413. Zij is geboren 27 April 1827, zij is evangelisch luthers en op 29 september 1836 door Amsterdam in Veenhuizen afgeleverd (tegelijk met haar hier boven genoemde broer). Zij zal 4 september 1839 overlijden.
Nicolaas Boot heeft weesnumer 76 in invnr 1412. Hij is geboren 4 juli 1830, hij is hervormd en door Amsterdam naar het kindergesticht gebracht op 27 oktober 1836. Hij is 13 februari 1837 overleden.


De permanente commissie heeft op de brief genoteerd dat zij hem 25 april 1837 'in advies' houdt en erover beslist op 27 april 1837 onder agendapunt N8, invnr 459 (daarvan zijn geen scans). In de agenda wordt genoteerd:

Den Directeur der Kolonien antwoorden op zijn rapport dat de PC zich vereenigd heeft met het daarbij ontwikkelde voorstel om de gezondheid en ligchamelijke ontwikkeling van de kleine kinderen in de Gestichten te Veenhuizen door meer beweging en kinderlijke bezigheid te bevorderen.

Het bijbehorende kladje van de brief aan de directeur is nagenoeg onleesbaar, maar ik meen te kunnen ontcijferen dat zij voor dit doel 0,10 per kind uittrekken.